Dagwoord: Zwerk
Het
zwerk is bij uitstek de plaats waaronder romantici hun dichterspen willen laten
vloeien. Over de oorsprong van het woord wordt nog gesteggeld. Volgens de een
is het zeker afkomstig van het Oudrussische Svarogû, de aanduiding voor
de god van het uitspansel. Anderen beweren weer dat voortkomt uit een Oudsaksische
werkwoord voor 'verduisteren'.
Jacques Perk (1859 - 1881) is de dichter die een onuitwisbare invloed heeft
gehad op de Nederlandse poëzie doordat Willem Kloos (1859 - 1928) in zijn
uitgave van Perks nagelaten gedichten een manifest schreef dat de beweging der
tachtigers inluidde. Die Perk schreef als verliefde jongeling het ene sonnet
na het andere. Aan een speciale juffrouw, die hij overigens later als 'onbetekenend'
omschreef, wijdde hij meer dan 100 sonnetten in zijn Mathilde-reeks. Dit is
er één van:
Sanctissima virgo (II)
't Was bladstil, en een lauwe loomheid
lag
En woog op beemd en dorre wei, die dorstten,
Zwaar zeeg, en zonder licht, een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.
Toen is het zwijgend zwerk uiteengeborsten,
En knetterende donders, slag op slag,
Verrommelden en gromden. Vol ontzag,
Look ik mijne oogen, die niet oogen dorsten:
Een schelle schicht schoot schichtig uit
den hoogen,
En sloeg mij. Ik bezwijmde.... ontwaakte, en zag
De lucht geschraagd door duizend kleurenbogen.
Daarboven, in een kolk van licht te pralen,
Stond reuzengroot de Jonkvrouw, en een lach
Voelde ik van haar verengeld aanschijn stralen.
Een tijdgenoot, Aegidius W. Timmerman, heeft een discussie beschreven, die Perk met een zijner docenten voerde. Onderwerp en botsing lijken van alle tijden te zijn:
In Februari 1881 ben ik
met Perk op een avond bij den Prof. wat men toen noemde, gaan 'theeslaan'. Het
was een vrij gezellige voorkamer waar wij ontvangen werden. Mevrouw zat achter
het theeblad onder het volle gaslicht het Nieuws-van-den-Dag te lezen. De professor
werd gebeld en kwam na eenigen tijd, nog met het stof der geleerdheid op zijn
kaken, beneden en begon op een deftigen toon tegen mevrouw iets te zeggen, wat
zij niet begrepen scheen te hebben. Mevrouw antwoordde: 'Ja maar jullie geleerde
heeren weten de gewoonste dingen ook niet. Meneer Perk, U zal het misschien
niet willen gelooven, maar ik vroeg van de week aan Professor Cobet, die hier
dineerde, zeg jij nou es, Cobet, wat is kachel in het Grieksch? Ja Anne, zei
Cobet, maar de Grieken hadden geen kachels. Ja maar, als je nu toch... enz...
enz...'
Een poosje later had ik de domheid over de nieuwe poëzie te gaan spreken
en Jacques vroeg aan den Professor of hij, ik weet niet meer welk boek had gelezen,
waarop Naber, die heel goed wist dat Kloos en Perk dichters waren en ook
wel zal gevoeld hebben, dat wij zijn colleges, die nooit iets anders dan textkritiek
behandelden en nimmer iets lieten uitlekken van de schoonheid der behandelde
dichters, zeer minderwaardig vonden, antwoordde met het meewarig ironiesch glimlachje,
waar hij ons zoo helsch mee kon maken: 'Ja, ziet U meneer Perk, ziet U - zijn
nageltjes bekijkend - ik lees nooit iets, ziet U, of het moet minstens tien
jaar oud zijn, bestaat het dan nóg, dan denk ik er over om het te gaan
lezen, ziet U!' En Jacques, die met Willem Kloos gemeen had dat ze niet weinig
scherp konden zijn, wanneer men aan hun literatuur kwam, zei doodsbleek geworden:
'Zoo doet U toch zeker niet, Professor, - met een minachtend gebaar er naar
wijzend - met dat Nieuws-van-den-Dag, wel?' Toen was het Naber's beurt om te
verbleeken. Hij stond op en sprak: 'U is onbeschaamd, meneer Perk!' Ook Jacques
stond onmiddellijk op en zei tot mij: 'Dan blijft er niet veel anders over dan
heengaan, ga je mee, T!' We hebben er later nog menigmaal om gelachen ofschoon
hij wel een beetje spijt had van zijn scherpe antwoord. Maar ik heb zelden iemand
zoo uitbundig horen lachen als Perk, toen wij eenige maanden later, op een prachtigen
dag in Juni bij een betoog van dien zelfden Prof. aanwezig waren, dat scheen
te handelen over de vraag of er op een zekere plaats een alfa of een èta
moest staan en waar Professor Zoetmeel, en de zeergeleerde Reuzel en de scherpzinnige
Bergekekuk de alfa eischten enz. enz. tot in het oneindige...
Jacques lag, met zijn linker elleboog over de tafel heen dweilend, met blauwe
oogen naar de blauwe lucht te kijken, de rest van de 'luisterrijke Strijdmakkers'
- zoo heetten wij toen in het Latijn - zaten bij het Latijn-gesijfel heerlijk
te denken en te suffen, eindeloos, eindeloos... Tot op eens een der onzen, een
later bekend geworden kamerlid, die even als Betje Wolff, niet van vijgenbladen
hield en ze ook niet voor den mond nam en die vlak onder den katheder zat, zijn
dikke ellebogen met een harden bonk op de tafel liet smakken met een luid GVD.
Dat was een argument op den man af en ons allen uit het hart gegrepen. We lachten,
lachten dat de ramen rinkelden. Jacques was in het geheel niet tot bedaren te
brengen, vooral omdat de Prof. meteen in zijn woede de colleges sloot.
Uit: Tim's herinneringen van Aegidius W. Timmerman