Dagwoord: Wemelen

grafiek van ...De Nederlandse taal verloedert, schrijft Trendbox boven een persbericht van 10 november 2003. Het bericht zelf is gelukkig wat genuanceerder. Daar staat dat iets meer dan de helft van de Nederlanders dat alleen maar vindt...
Driekwart van de ondervraagden zegt namelijk dat de meeste Nederlanders geen foutloze brief kunnen schrijven. Tegelijkertijd zegt echter ruim 80 procent zelf wel de eigen taal in woord en geschrift goed te beheersen. Alleen het vertrouwen in het taalgevoel van de buurman is dus laag.
Het is overigens wel een onderzoek waard in hoeverre de verwoording van de vragen de antwoorden heeft beïnvloed. Indien ze dezelfde stijlbloempjes bevatten als het persbericht, dan kan de overdreven negatieve mening eenvoudig worden verklaard. Zo meldt het bureau:
"Dit blijkt uit een onderzoek dat NFO Trendbox heeft verricht onder een representatieve steekproef van 500 Nederlanders in de leeftijd van 16 jaar en ouder." Even verder staat: "64% van de ondervraagden vindt dat veel e-mails wemelen van de taalfouten; onder personen in de leeftijd tot 50 jaar is dat zelfs 71%. Precies driekwart van de steekproef (bij 65-plussers 83%) is van mening dat de meeste Nederlanders geen foutloze brief meer kunnen schrijven." Kennelijk is de groep tussen de 50 en 65 jaar het meest coulant.

In teksten van begaafde schrijvers wemelt het vaak. Hieronder staan zinnen die uit één boek komen. Aan de hand van de schrijfstijl is de schrijver snel te achterhalen, maar welk boek is het? Het antwoord staat hier.

Bim-bam, relèng-relèng, tengelengeleng klonken de klokken te zamen en het strand wemelde nu in de zwarte nacht van zwarte gedaanten en rood flakkerende toortsen.
...
Langs den Taag was de lente getreden, even lager dan Toledo torende op hare heuvels en zij
wemelde door de amandelheesters hare roze en blanke bloesems rond; zij weefde door de olijvetwijgen haar glanzige grijs en glinsterig zilver, en hare dauw beefde in licht spiegelende droppels aan het uiterste groen der uitsprietende cypressepluimen. Een zacht, zoel licht zeefde uit de weg loomende wolken en verhelderde het nog overmiste morgenazuur, waarin de rossige torens torenden, tusschen muren meerdere de een om den ander getrokken: een ruwe stadsilhouet, die rees bijna rood uit den ròze en blanken en zilvergrijzen en goudig groenen lentewemel omhoog.
...
Het torende met spitse flitsen, als met minaretten, uit de roze
wemelende bongerds op en spiegelde zich even weêr in het kobaltblauw van den diepen stroom; het spiegelbeeld blankte zacht, gerimpeld over het water, door lentewind, die speelde met witte iris langs den boord.
...
En van af de tinnen zag hij het witte slot, even beneden zijn blik, verijlen als een droom in de vale nacht, die viel, op
wemelen een vizioen gelijk, in de wazige dageraden.
...
De dag was geworden en in de eerste morgenschijnen, die mat bleven van smart en dof van rouw, zag ik als een fata-morgana
wemelen over de woestijn en de zee...
...
Door de lange gang
wemelden de spoken.
...
Wij zullen te zamen zijn wie wij willen zijn, wij zullen telkens bezitten wat wij willen bezitten; onze liefdes en wellusten zullen telkens veranderen, onze tooversloten zullen telkens
verwemelen door en in elkander; wij zullen druiven plukken tusschen Noorderlichten aan ijsbergen, die zullen drijven in de Middellandsche Zee; wij zullen gèk zijn van wisselende stemmingen; de sterren zullen regenen door elkaâr en de zee zal hare hemelvaart vieren en drijven waar de wolken drijven.
...
Ik zal het heelal, de wereld, het leven doen veranderen, wisselen,
wemelen en herscheppen voor u, tot de Eentonigheid zelve klinken zal van millioenen tonen en blinken van milliarden tinten.
...
De oude man zat voor de immense schrijftafel, waarover de vreemde, oude handschriften
wemelden, vergeeld en bijna mystiesch.
...
Zoo gebeurde het dan ook en de glinsterende stad lag weldra tegen het voorjaar in een
wemeling van rozen en perzikbloesem verloren.
...
Hij zwierde haar òp, in de stormnacht; de vloermat viel af als een huls en in de wapperende plooien van zijn wijden mantel slierde de heerscher haar mede als een blanke sjerp: zij
wemelde even de wolkdonkerte door...
...
In de vallende schemering
verwemelde de diepte van het woud.
...
Uit de
verwemelde diepte des wouds naderde eene ijle gestalte van glans...
...
Maar boven, uit de
verwemelde hoogte des wouds, waar het aanzwiepte tegen de wolken, schaterde de lach van den heerscher, die bijna almachtig is... en zijn wijde mantel verwaaide met den stormwind meê...