WELLEVENDHEID
EEN HANDBOEKJE
VOOR DE CHRISTEN JEUGD
DOOR DEN BESTUURDER
VAN EEN OPVOEDINGSGESTICHT
Inleiding door CÆSAR GEZELLE
TER INLEIDING.
« Alle beleefdheid komt uit het hert; bijgevolg, » zou iemand kunnen
zeggen, « een handboek over wellevendheid kan ik best missen; wil ik weten
hoe of ik in de eene of de andere omstandigheid moet handelen, zoo ga ik in
mijn eigen hert te raden en dit zal mij wel naar behooren ingeven en vast betrouwbaar
richten. »
Gewis, en er is geen zekerder loods op den weg naar het hert van uwen evenmensch
dan uw eigen hert: laten we « een ander geen kwaad doen dat we zelf niet
zouden willen lijden en hem het goed zoeken te bewijzen dat we ons zelven wenschen.
»
Doch dit is naastenliefde in den ruimsten zin van het woord: dit is de stamdeugd
en, een van haar takken, van haar fijnste, is wellevendheid. Laten wij het ootmoedig
bekennen, om die altijd en overal onberispelijk te plegen, hebben wij somtijds,
ja dikwijls, niet genoeg aan de inspraken van de natuurlijke goedheid onzes
herten.
Die goedheid kan ik met de gedachte vergelijken, de beleefdheid met de taal.
Beleefdheid is een taal, de taal des herten. Ge hebt misschien gedachten in
overvloed, maar ge kunt ze niet uitdrukken, ge kunt niet spreken omdat ge de
taal en hare wetten niet machtig zijt; en uw goedheid zal niet bovenkomen, niet
openbloeien omdat ge niet geleerd hebt hoe te bewegen of stil te zijn, hoe ge
spreken of zwijgen moet volgens de omstandigheid: men zal u, met uw hert gespannen
vol goedheid, aanzien voor een barbaar en gij zult lijden onder de miskenning.
De opvoeding door beleefde ouders en meesters kan een handboek over wellevendheid
onnoodig maken, maar indien ge die heelemaal niet genoten of ten deele veronachtzaamd
hebt, wie is er die dat gemis vergoeden zal. Wellicht wordt ge later zelf ouder
of meester, en waar is 't dat gij u zult naar richten in 't vervullen van uw
zware plicht?
Beleefdheid is een deugd, en alle deugd houdt het midden tusschen twee uiterste
uiteinden die leelijke ondeugden zijn; een handboek voor wellevendheid is als
het richtsnoer dat dien gulden middenweg wijst. Zeker kunt gij u laten geleiden
door uw ingeboren «takt», doch wie verzekert u dat UW takt de echte,
de betrouwbare is, en, zult ge niet, zelden misschien, maar toch nu en dan,
links afwijken door te weinig, of rechts door te veel beleefdheid, en voorkomen
als een onbeschofte lomperik of als een lastige ofwel belachelijke spelmaker.
Eene enkele zonde is somtijds voldoende om eene goede faam, waaraan gij jaren
lang met zorg hebt gewerkt, ineens te bederven.
En wat is er dat men liever ziet komen dan een fijn beschaafd mensch, zonder
norsche onbevoegdheid en ook zonder kleingeestige aanstellerij, een mensch die
zich beweegt in de vereischten van de menschelijke samenleving, met een gemak
als een visch in 't water: neêrkomend zonder verlaging uit de hoogte,
deftig en het bewustzijn van zijn edele menschenweerde bewarend, uit de laagte.
Dit zijn enkele redenen waarom een handboek voor beleefdheid even onmisbaar
kan worden als een handleiding voor welke deugd of wetenschap ook: immers omdat
wellevendheid is de heerlijke bloem van alle menschelijke volmaking. Die nog
meer redenen wil en veel verhevener, leze op bladzijde 11 en volgende het tweede
lid van het eerste hoofdstuk hiernavolgend, te weten over HET GEWICHT van de
wellevendheid.
Een laatste reden. Wij Vlamingen evenals alle leden van den Nederlandschen stam,
zijn van aard geneigd tot het werkelijke, het nuchtere en zakelijke in alle
dingen, ook in den omgang met menschen, en daarom overdrijven wij veeleer de
beteekenis van het woord «oprechtheid». We laten in vele opzichten
onze oprechtheid ontaarden tot ruwheid. Men heeft ons dat, benevens veel andere
zaken, ten onrechte ten laste gelegd. Onze schuld is het niet dat we voor onze
vlaamsche beleefdheid nog geen vaste vorm en bewoording hebben; eene beleefdheidstaal
bestaat nog niet, en het is een deel van onze taak in de herwording van ons
vlaamsche volk dat wij het opvoeden tot de kennis en het bezit van een kristelijke
vlaamsche beleefdheid.
Hier is een degelijk handboek voor wellevendheid.
Hier is een handboek voor wellevendheid in deugdelijk vlaamsch.
Cæsar GEZELLE.
BRUGGE, 3 September 1911
HOOFDSTUK I.
DE WELLEVENDHEID
§ I. - Wat zij is.
De geest der wellevendheid bestaat, volgens
mij, in de zorg, die we aanwenden, om door onze wijze van spreken en door onze
manieren anderen én over ons, én over zich-zelf tevreden te doen
zijn.
De wellevendheid is de wensch, nuttig te zijn, te behagen; tot bereiking van
dat doel brengt zij gaarne en voortdurend zekere kleine offers, die anderen
aangenaam zijn en hun overtuiging moeten schenken, dat wij hunne voldoening
boven de onze stellen.
De beleefdheid is de bloem der naastenliefde ; zij staat ook in verband met
de christelijke verstorvenheid. En trouw brengt zij dezen raad des Apostels
in beoefening : Draagt elkanders lasten : zõó zult gij de wet
van Christus vervullen. Doet anderen niet wat gij niet wilt dat men u-zelven
doe. Vergeeft uwen broeders, en gij zult vergiffenis verwerven.
De wellevendheid is de dochter der bescheidenheid, de meest welsprekende aanbeveling
voor hem, die geene gelegenheid tot spreken vindt. Zij wint onmiddellijk de
harten, is een geneucht voor hen, die met ons onder één dak leven,
en wekt de bewondering der vreemden op. Dikwijls brengt zij verwikkelde, netelige
zaken tot een goede oplossing. Eenieder behaagt zij ; zelfs onbeschaafde lieden
zoeken bij voorkeur omgang met beleefde personen.
De beleefdheid is de bloem der menschlievendheid. Hij, wien 't aan beleefdheid
mangelt, is ook niet menschlievend genoeg... Niet slechts op de manieren, maar
ook op geest en hart oefent zij haar weldoenden invloed uit...
De wellevendheid, zegt een Perzisch spreekwoord, is een muntstuk, dat dengene
die 't verrijkt, uitgeeft.
...
Zóõ luidt het oordeel van bekende en bevoegde schrijvers over
de wellevendheid...
Jonge vrienden, gij aarzelt geen oogenblik, blootvoets over de kiezelsteentjes
op den oever der zee te gaan; immers, de golven en rotsen hebben hunne oppervlakte
gepolijst, hunne scherpe hoekjes afgeslepen. Maar hebt gij een met « keislag
» overdekten weg te betreden, waar ieder brokje steen scherpe kanten en
punten en hoeken heeft, dan vreest gij, uw voeten te kwetsen, en neemt tot stevig
schoeisel uw toevlucht.
Zoo gaat 't ook in de samenleving. Sommige menschen hebben zooveel « tact
», zijn dermate beleefd, dat men vooruit weet, dat ze ons niet moedwillig
zullen kwetsen, niet opzettelijk voor 't hoofd stooten. Anderen, daarentegen,
hebben zulke ruwe manieren, dat ze wel op doornstruiken gelijken, méér
fijngevoelige personen. die verplicht zijn met hen om te gaan, ieder oogenblik
pijn doen...
Ouders en leeraren handelen zooals de slijper, die een ruwen diamant bewerkt,
en, zonder aan de weergalooze hardheid en aan de oorspronkelijke waarde van
't kostbaar gesteente de minste afbreuk te doen, den diamant dien glans, die
schittering verleent, welke de oogen verrukt en hem maakt tot een der meest
begeerde kleinoodiën van Gods heerlijke natuur.
§ II. - Haar gewicht.
Onbeleefdheid mishaagt overal. Onbeschaafde
manieren maken ook den verstandigen mensch onuitstaanbaar. Geen hooge afkomst,
geen rijkdom, geen talent kunnen die leemte aanvullen. Wie niet beleefd is,
wordt, en met recht, vermeden door eenieder, die fijn gevoel en persoonlijke
waardigheid bezit.
Daarentegen wordt hij, die door kieschheid en hoofsche manieren uitmunt, de
regelen der wellevendheid als wet beschouwt, door de bloem der samenleving gezocht;
hij verwerft ieders achting en genegenheid, en slaagt gemakkelijk daar, waar
onbeleefde menschen trots andere uitwendige voorrechten 't hoofd stooten.
De beleefdheid is een dier hoedanigheden, welke ouders zoo gaarne bij hun kinderen
zien. Bij ondervinding weten zij, dat goede manieren van onbetwistbaar nut zijn
om in de wereld vooruit te komen. Veruit de meeste menschen oordeelen naar 't
uiterlijke, en voor 't oog van den nietkenner is de waarde van een ruwen, ongeslepen
diamant minstens twijfelachtig...
La Bruyère, de befaamde schrijver en karakterkenner, beaamt zulks in
dezer voege : « In weerwil van deugd, bekwaamheid en goed gedrag kan iemand
onverdragelijk zijn. De manieren, door sommigen als een kleinigheid beschouwd,
zijn meestal van overwegenden invloed op de meening, die 't gros der samenleving
van ons opvat. Een beschaafd optreden, hoofsche manieren voorkomen zoo gemakkelijk
een slechten indruk, - en degene, die zich niet beleefd weet voor te doen, wordt
lichtelijk als trotsch, laatdunkend en liefdeloos aangezien.
2. Zeker, wij moeten deugdzaam zijn, maar dit zonder ruwheid ; want de deugd,
die grove vormen aanneemt, zonder eenige terughoudendheid alles zegt, wat haar
op de lippen komt, maakt zich hatelijk. De godsvrucht moet, wil zij behagen,
met liefde en zachtmoedigheid omkleed zijn. Een christen, die ruw optreedt,
in woord en houding de regels der wellevendheid minacht, doet degenen, met wie
hij in aanraking komt, een valsch denkbeeld van de ware godsvrucht opvatten.
Een bescheiden, beleefd jongeling daarentegen doet haar beminnen, hoogschatten
en wekt tot navolging.
Tusschen beleefdheid en deugd bestaat o. a. dit verband, dat zij dezelfde, gemeenschappelijke
vijandin hebben : de « zelfzucht ». Voor beide is dus zekere mate
zelfverloochening onmisbaar. Bij « deugdzame » personen wortelt
die zelfverloochening in den ootmoed, de liefde, de verstorvenheid; maar bij
anderen spruit ze enkel uit behaagzucht voort. In dit laatste geval is zij een
soort « vernis », een « nagebootste » wellevendheid,
die met de « ware » weinig of geen verband houdt.
Wat eischt nu van ons de ware, op de deugd steunende beleefdheid? Zij wil in
't algemeen, dat men zichzelf voor anderen opoffere; dat men den evenmensch
voorkomend bejegene; dat men in liefde en zachtmoedigheid rekening houde met
de eigenaardigheden van zijn karakter, en zorgvuldig alles vermijde wat hem
grieven kan.
« Gij hebt twee kinderen », zegt de H. Augustinus; « het eene
is kreupel, mismaakt, ziekelijk, maar heeft een scherp verstand, eene warme
verbeelding, een uitstekend geheugen, en is gehoorzaam, zoetzinnig, matig, kuisch,
beleefd, een voorbeeld van alle deugden. Het ander daarentegen is sterk, gezond,
zeer schoon en welgemaakt, - maar ook dom, onwetend, lui, onzedelijk, onbeleefd,
ongehoorzaam. Welk dier twee kinderen is u het dierbaarst ? Het eerste, ongetwijfeld.
En thans vraag ik u : waar zetelen de wetenschap, de deugd, de onderdanigheid
van het kind? Niet in zijn oogen, want die van 't ander zijn schooner, helderder
; niet in zijn handen , want die van 't ander zijn sterker ; niet in zijn lichaam,
want dat van 't ander is rijziger, leniger, krachtiger. De heerlijke eigenschappen,
die gij in uw mismaakt kind bewondert, moeten dus zetelen in zijn hart, in zijne
ziel. Beken derhalve, dat de ziel edeler is dan 't lichaam, want haar volmaaktheden
zijn verhevener en beminnelijker ».
3. Wie aandachtig de brieven der Apostelen leest, die brieven zoo vol liefde,
zoetzinnigheid en fijn gevoel, zal er, om zoo te spreken, een « Wetboek
der Beleefdheid » in vinden.
Hoort St. Paulus, in zijn brief aan de Romeinen : « Hebt elkander hartelijk
lief met broederlijke liefde, met eere de een den anderen voorgaande ».
De Ephesers vermaant hij, geen dwaze, scherpe, onfatsoenlijke uitdrukkingen
te bezigen, welke een christen niet betamen, en den Korinthiërs geeft hij
deze heerlijke les « De liefde is geduldig, is goedertieren ; de liefde
is niet afgunstig ; zij praalt niet, zij is niet opgeblazen, niet eerzuchtig;
zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd ; zij rekent het kwade niet
toe ; zij verblijdt zich met de waarheid ; zij verdraagt alles, gelooft alles,
hoopt alles, verduurt alles... »
Uit die Brieven en uit het Evangelie zouden de jongelingen het groot geheim
der « ware » beleefdheid moeten leeren, dat fijn gevoel, dat edel,
kiesch optreden, hetwelk de harten wint, de deugd doet hoogschatten.
§ III. - Haar voorwerp.
De beleefdheid betreft óf 't lichaam,
óf den geest en 't hart.
1. De beleefdheid des lichaams bepaalt en bestiert de uitwendige handelingen,
de bewegingen, de houdingen.
Sommige der regels, welke zij voorschrijft, vloeien voort uit de rede-zelf,
berusten op de welvoegelijkheid en zijn vastgesteld tot behoud van de goede
zeden. Wie die regels wil kennen luistere slechts naar de stem der welvoegelijkheid,
die in 't binnenste van ieder hart met klemmend betoog haar eischen stelt.
Maar de wellevendheid heeft ook andere, meer willekeurig vastgestelde regels.
De verschillende volken hebben niet dezelfde teekens aangenomen om dezefde gevoelens
van achting uit te drukken. Deze of gene manier van handelen of spreken, deze
of gene houding, zal bij « dit » volk als welvoegelijk, bij «
andere » volken als zeer onbetamelijk beschouwd worden.
Ieder volk wil, en met recht, dat men zijn gewoonten en gebruiken eerbiedige,
als ze niet afkeurenswaardig, niet dwaas zijn. Wie zich niet van jongs af gewoon
maakt, die van zijn land te volgen, loopt gevaar, later als een onbeleefd mensch
of een zonderling beschouwd te worden.
Vertoeft men in den vreemde, dan houde men zich zooveel mogelijk aan de gebruiken
van 't land, waar men zich bevindt : dat is het éénig middel om
niet den schijn op zich te laden, dat men ze veracht, of dat men de opmerkzaamheid
wil trekken.
In de volgende hoofdstukken, waarin het « lichaam », de «
kleeding » en de « maaltijden » worden behandeld, brengen
wij dit alles uitvoerig ter sprake.
2. Maar 't is niet voldoende, de « beleefdheid des lichaams » in
acht te nemen. Geest en hart hebben in onze betrekkingen met den evenmensch,
in onze gesprekken, in onze briefwisseling en zelfs in onze uitspanningen een
gewichtige rol te vervullen. Later zullen wij ook deze punten breedvoerig behandelen.
Maar « dit » zij nu reeds in 't midden gebracht : de wellevendheid
duldt niet, dat men - al weze het ook zonder slechte bedoeling, - spreke over
eens mismaaktheid, een physiek gebrek, waar degene, tot wien men 't woord richt
aan lijdt ; dat men in tegenwoordigheid van iemand, die erover zou kunnen blozen,
een ergerlijke of vernederende gebeurtenis ter spraak brenge, dat men in 't
bijzijn van personen, die rechtstreeks of zijdelings in de zaak betrokken zijn
geweest, droeve herinneringen opwekke, pijnlijke zinspelingen make.
De « wellevendheid van geest en hart » legt natuurlijk niet allen
personen, staten en standen dezelfde regels op. Zij verschillen ook volgens
de kunne. Zekere hoofsche uitdrukkingen, « complimenten, » zooals
men gewoonlijk zegt, passen zeer goed in den mond van een wereldling, maar zijn
op de lippen van een persoon, die een streng leven leidt, te eenenmale misplaatst,
en walgen dengene, die ze moet aanhooren.
Dan, zulks neemt niet weg, dat de voorschriften der wellevendheid, in 't algemeen
beschouwd, «een iegelijk » binden. Zij zuivert de taal, voorkomt
te scherpe uitingen, leert den jongeling, zich naar personen en omstandigheden
te plooien, maar dit steeds zonder vleierij en zonder hoogmoed. Voor laatdunkendheid
laat zij geene plaats ; valsch eeregevoel legt zij 't zwijgen op ; kregelige
humeuren houdt zij in bedwang, en waar 't de handhaving van onze rechten geldt,
stemt zij tot christelijke zachtmoedigheid
§ IV. - Het karakter.
1. Willen wij in alles de beleefdheid van
geest en hart in-acht-nemen, dan moet ze als 't ware met ons karakter vereenzelvigd
zijn, van-zelf daaruit voortvloeien. Elk onzer moet dus trachten, zich een «
goed karakter » te vormen. Wat beteekenen die woorden?
« Als ik zeg, » lezen we bij een beroemd schrijver, « dat
gij een goed karakter bezit, wil ik daardoor te kennen geven, dat gij, volgens
mijn oordeel, vriendelijk zijt, voorkomend, zachtmoedig, dienstvaardig ; dat
gij u tot wet hebt gesteld iemand vrijwillig verdriet aan te doen ; dat gij
door aanhoudenden strijd de slechte neigingen uwer natuur overwonnen, de goede
ontwikkeld hebt ; dat gij u-zelven weet te beheerschen, over een groote mate
van zedelijke kracht beschikt en met onverdroten ijver die kracht ten goede
gebruikt. Want mocht er iets van hetgeen ik hier opsom aan uw karak-ter ontbreken,
dan is 't niet « goed » »...
2. Hebt ge niet reeds opgemerkt, dat in ieders leven het karakter een hoofdrol
speelt ? Gij hebt een goed karakter ; welke voordeelen zal 't u opleveren ?
O. a. twee dingen, naar welke bijna een iegelijk verlangt en streeft : geluk,
vrede en blijdschap in de ziel, maatschappelijken invloed.
Uw karakter zal op de eerste plaats u-zelven gelukkig maken. Uw welwillende
gedachten, uw gevoelens van liefde, zullen, vóórdat gij ze in
woorden en daden uit, voor u een bronne van edel en rein geneucht zijn. 't Lijdt
voor ons geen twijfel, dat de bekoorlijkheid, die van den persoon des H. Franciscus
van Sales uitging en allen, die met hem in aanraking kwamen, als een geurige,
sterkende wind tegenwoei, op de eerste plaats door den grooten bisschop-zelf
genoten werd, veel, zéér veel tot den blanken, zoeten vrede zijner
ziel heeft bijgedragen.
Uw goed karakter zal uw eigen geluk bevorderen ; want degenen, die gij toegevend
en minzaam bejegent, zullen wederkeerig voor uw kleine gebreken het oog sluiten
en u vriendelijk behandelen. De vreugden der vriendschap zullen uw benijdenswaardig
deel zijn. Hun, die erover klagen, dat ze van dit genot verstoken blijven, zou
ik met Nicole willen antwoorden : « Dat gij niet bemind wordt, is hieraan
toe te schrijven, dat gij niet de kunst verstaat, u te laten beminnen ».
Gij zult ook gelukkig zijn door de orde, die in uw geweten zal heerschen. Met
een waarlijk goed karakter, waarin gezonde neigingen de overhand hebben en alles
bestieren, zult gij de deugd beoefenen, - en deugd baart blijdschap.
Goede karakters, zeiden we hooger, hebben veel invloed op menschen en dingen.
De meeste personen voelen zich door zulke karakters op onweêrstaanbare
wijze aangetrokken en ondergaan van-zelf hun invloed.
Een natuurlijke neiging voert ons tot zachte, welwillende harten, waarin wij
niets dan liefde en belangstelling ontmoeten ; tot zielen, waarin wij onze ziel
met al heur lief en leed onbeschroomd kunnen uitstorten. Aan de deur van zulke
harten, zoo groot, zoo edel, zoo meêwarig, klopt men nimmer tevergeefs
!
De invloed, door goede karakters op hunne omgeving uitgeoefend, moet dus uit
den aard der zaak zeer sterk zijn; en wie op « personen » invloed
uitoefent, heeft natuurlijk ook macht over « dingen » en «
toestanden ».
Men zegt wel eens, dat « goede karakter » niet of weinig geschikt
zijn voor den strijd des levens. Die opmerking is juist, als men door «
goede karakters menschen verstaat, wier beminnelijkheid geen andere oorzaak
heeft dan « slapheid », gebrek aan wilskracht. Van dezulken getuigt
La Bruyère : « Er is geen slechter karakter denkbaar dan 't karakter
van hem, die geen karakter heeft. »
Maar heil dengene, die een « waarlijk » goed karakter bezit, wiens
minzaamheid niet uit mangel aan zede-lijke kracht, maar uit den sterken adel
zijner ziele ontspruit, uit die « geduldige liefde », welke de Apostel
den Korinthiërs zoo heerlijk schildert ! Zulke karakters zijn door de Voorzienigheid
bestemd om over de wereld te heerschen. Zij, zij zullen niet in den «
strijd des levens » bezwijken, maar vele anderen met hen ter blijde zegepraal
opvoeren.
HOOFDSTUK II.
HET LICHAAM
§ I. - Gang en houding.
1. « Men kent », zegt La Bruyère, « den zot aan zijne
manieren, welke moeite hij zich ook geve om 't euvel, waaraan hij lijdt, te
verbergen. Trots alle inspanning zal 't hem niet gelukken, eene kamer binnen
te gaan of te verlaten, plaats te nemen of op te staan, te spreken of te zwijgen,
zooals een verstandig mensch dit alles pleegt te doen. »
Inderdaad, de verschillende houdingen, die wij kunnen aannemen, hebben deze
eigenschap, dat zij de innerlijke gesteltenis van geest en hart uitdrukken;
zij worden dus eene « taal, » vaak welsprekender, bondiger, gemakkelijker
te begrijpen dan de gesproken taal.
2. Men vermijde dus die bespottelijke « gemaaktheid, » welke het
lichaam foltert en het maakt tot een machine, welker bewegingen mecanisch geregeld
zijn. Een gemaakte, gezochte gang strijdt met de wellevendheid.
Een trage, slappe gang wijst op zekere luiheid, waarvan men zich moet beteren.
Een trotsche gang verraadt hoogmoed, eene ondeugd, vooral zoo hatelijk bij den
christen. Hoogmoed, laatdunkendheid, heeft niets gemeen met ernst en waardigheid.
Kinderen met een levendig, iet-wat onstuimig karak-ter, moeten zich op bijzondere
wijze in-acht-nemen en er op letten, geen nuttelooze gebaren te maken, niet
elk oogenblik van houding te veranderen.
Zoetzinnige ernst boezemt én eerbied, én vertrouwen in. Gang en
houding moeten steeds door de christelijke zedigheid en bescheidenheid geregeld
worden ; zij moeten aantoonen, dat men weet en bevroedt, wat men « is,
» en wat men « zijn moet. »
3. Indien de omstandigheden vorderen dat men blijft staan, moet men noch een
gebogen houding aannemen, noch 't hoofd uit gemaaktheid op de borst laten zinken,
noch het hoofd met belachelijken trots in den nek werpen. 't Strijdt ook tegen
de beleefdheid, met iemand in gesprek zijnde tegen den muur of een meubel te
leunen.
Als men zich wil neerzetten, kieze men geenszins een der gemakkelijkste stoelen.
Een beleefd mensch leunt niet achteloos tegen den rug van zijn zetel, gaat niet
schuins of voorover zitten, wiegt niet met 't bovenlijf, strekt de beenen niet
uit, verandert niet telkens van plaats en houding. Hij draagt ook zorg, niet
op eene plaats te gaan zitten waar hij degenen, die heen-en-weêr moeten
loopen, zou hinderen ; als iedereen gezeten is, zal hij buiten noodzakelijkheid
niet opstaan; staat iedereen op, dan zal hij niet alléén blijven
zitten, maar uit wellevendheid het voorbeeld der anderen volgen.
§ II. - Hoofd, Ooren en
Haar.
1. De wellevendheid schrijft voor, het
hoofd recht te houden, en niet voorover ; men lette erop, het niet telkens met
driftig gebaar van links naar rechts, van rechts naar links te wenden. Dan vooral,
als men in gesprek is, moeten de bewegingen van 't hoofd met zorg geregeld worden.
't Is niet geoorloofd. door een hoofdknik te antwoorden op de vragen, die men
ons stelt, en minder nog, door een teeken met het hoofd onverschilligheid, afkeer
of minachting uit te drukken.
Men brenge niet telkens de hand aan 't hoofd. Aan tafel gezeten, zal men 't
slechts in geval van uiterste noodzakelijkheid aanraken : zoo willen het beleefdheid
en zindelijkheid. Natuurlijk is 't verboden, in eens anders tegzenwoordigheid
zich 't hoofd te krabben, met de hand in 't haar te woelen, enz. ; wie zulks
doet, vergrijpt zich op onvergeeflijke wijze aan de eenvoudigste wetten der
beleefdheid en hindert de aanwezigen méér dan hij denkt.
2. De onzindelijkheid der ooren wekt niet slechts walging, maar kan ook doofheid
veroorzaken.
Het reinigen der ooren moet met alle zorg geschieden. De bochtige holten van
dit orgaan, de aanraking met 't haar, de méér-of-minder overvloedige
vor-ming van « cerumen » (oorvocht) : dit alles veroorzaakt lichtelijk
onzindelijkheid. Het « voorzichtig » (wij drukken hier bijzonder
op 't woord « voorzichtig » ) het « voorzichtig » gebruik
van het oorlepeltje verdient aanbeveling. Als men zich gewasschen heeft, reinige
men de plooien van de oorschelp zorgvuldig met een tipje van den handdoek.
Sommige kinderen hebben de slechte gewoonte elkan-der in de ooren te schreeuwen
of te biazen : die gewoonte is zeer onbeleefd en kan gevaarlijk worden.
3. Een christen jongeling wijde geen overdreven zorg aan zijn haar. Die gewoonte
verraadt ijdeiheid, en dik-wijls een bekrompen verstand.
Maar wie zijne gezondheid liefheeft en niet voor smerig te boek wil staan, houde
zijn haar in zindelijken staat. Iederen morgen gebruikt men, zoo noodig, den
fijnen kam na den wijden, waarna dan de haarborstel het overige doet.
Raakt in den loop van den dag 't haar in de war, dan aarzele men niet, opnieuw
te beginnen. Niemand betaamt het, met verward haar op straat of in gezelschap
te verschijnen.
Van pommaden, reukwaters, enz. behoeven wij hier nauwelijks te reppen. Zulke
dingen hebben geen nut en hinderen vaak de personen die met u in aanraking komen.
Geen reukjes - dát is het ideaal ! « Wie goed wil rieken »
zegt Montaigne, « verspreide geen geur, rieke naar niets. »
§ III. - Aangezicht en
Voorhoofd.
1. Het gelaat is de spiegel der ziel, en
de oogen zijn haar tolk. Wie een aantrekkelijk voorkomen wil hebben, houde zijn
hart vrij van beroering en driften. Een oprecht en zuiver hart maakt steeds
het gelaat open en bevallig.
Strengheid en gemaaktheid mishagen; iedere trek van uw gelaat moet zachten ernst,
eenvoud, beminnelijke wijsheid ademen. Een kregelig, neerslachtig voorkomen
stoot af.
2. 't Behoeft wel geen betoog, dat de uitdrukking van 't gelaat moet afwisselen
volgens de omstandigheden, waarin wij-zelf ons bevinden, of waarin de personen
verkeeren, met wie wij spreken.
't Ware ongemanierd en beleedigend, in tegenwoordigheid van personen, die aan
droefheid ten prooi zijn, te schertsen of te lachen, zulke personen op boertiger
of onverschilligen toon aan te spreken. Als men zich daarentegen in vroolijk
gezelschap bevindt, geve men aan zijn gelaat geen sombere, stroeve uitdrukking.
Bevinden wij ons in gezelschap van personen, die door stand of leeftijd bijzondere
achting verdienen, dan moet ons gelaat den eerbied, dien we voor hen gevoelen,
uitdrukken ; maar « eerbied » - hierop drukken wij bij-zonder, -
is geen kinderachtige bedeesdheid !
Wie met vrienden spreekt toone hun een opgeruimd gelaat; dit zal 't onderhoud
vergemakkelijken en veraangenamen.
3. De zindelijkheid vordert, dat men na het opstaan het gelaat wassche en met
een zuiveren handdoek afdroge.
Als het zweet ons dwingt ons gelaat af te vagen, moeten wij daartoe een zindelijken
zakdoek gebruiken. Een bezweet gelaat rake men zoo weinig mogelijk aan met de
vingers, - dit ook om uitslag en andere onaangenaamheden te vermijden.
4. Rechtschapenheid en bedorvenheid, misdaad en onschuld drukken haar stempel
op 's menschen voorhoofd. Door rimpels saamgetrokken, geeft het ons een spijtig
of bekommerd voorkomen, dat onaangenaam aandoet. Maar een kalm, glad voorhoofd
getuigt van zielevreê en maakt een prettigen indruk.
Zachtmoedigheid, zedigheid, wijsheid doen een zachten lieflijken glans aan 't
gelaat ontstralen. Weze, o jongeling, het uwe steeds met den stempel van die
deugden gesierd !
§ IV. - Wangen en neus.
1. Als wij een oprecht en zuiver hart hebben,
jaagt een vuil woord, een onzedig gebaar, een onbetamelijke zinspeling, eene
leugen, eene lastering, een lichte opwelling van drift ons onmiddelijk een blos
op de wangen. Een wijsgeer noemt dat schaamterood, dat rood der verontwaardiging,
de « kleur der deugd ».
Wie niet meer blozen kan, is veelal zedelijk bedorven.
Maar wee ook dengene, die bloost over het goede! De goddelijke Zaligmaker heeft
gezegd : « Als iemand zich Mijner en mijner Woorden schaamt, zal de Menschenzoon
Zich vóór zijn hemelschen Vader zijner schamen. »
't Is een schromelijke beleediging, iemand een kaakslag te geven; maar hij,
die zulk een beleediging ondergaat, moet, - wat de wereld er ook van zegge,
- zich niet door een dergelijke onbeschoftheid wreken.
De lippen bewegen, ze opblazen, met de hand ertegen slaan - altemaal dingen,
welke de beleefdheid ten strengste verbiedt.
2. Lord Chesterfield, in de XVIIIe
eeuw minister van Englands koning, schreef aan zijn zoontje, den zevenjarigen
Stanhope, een menigte brieven over de regels der wellevendheid; niets werd onder
dat oogpunt vergeten, zelfs niet de raad, zich dikwijls, op zindelijke manier
en zooveel mogelijk onhoorbaar, den neus te snuiten...
Men bediene zich daartoe van een zindelijken zakdoek. Sommige jongelingen ontplooien
dat onmisbaar voorwerp zoo breed mogelijk en zwaaien ermeê als met een
vlag : een slechte, afkeerwekkende gewoonte !
Wie zich den neus snuit, moet zulks op kiesche wijze en zoo snel mogelijk doen;
en wat betreft dengene, die, na zijn zakdoek gebruikt te hebben, een kijkje
erin neemt, dien noem ik een... « lomperd,» om geen ander en strenger
woord te bezigen!
Men neme den zakdoek niet elk oogenblik in de hand, late hem niet op den grond
vallen, legge hem niet op een tafel, stoel of ander meubel. Men houde hem in
den zak en hale hem slechts in geval van noodzakelijkheid, en dan maar voor
een oogenblik, te voorschijn.
3. Een wellevend jongeling schraapt zich zoo weinig mogelijk de keel en ademt
niet met veel gedruisch. Bij 't niezen maakt hij geen onnoodig leven, vooral
niet, als er stilte heerscht in de plaats waar hij zich bevindt; hij tracht
integendeel, dat voor anderen zoo onaangenaam geluid in zijn zakdoek te smoren.
Een persoon, die niest, spreekt men niet toe. Het ouderwetsche « God zegene
u! » kan welgemeend zijn, maar blijve hier niettemin achterwege.
Wie niest of hoest houde de hand, beter nog den zakdoek, vóór
den mond; hij heeft zich niet te verontschuldigen.
Met de hand aan den neus komen, den vinger in de neusgaten steken, is een zwaar
vergrijp tegen wellevendheid en zindelijkheid, en kan bovendien pijnlijke ontsteking,
ja gevaarlijke aandoeningen veroorzaken.
4. Den neus optrekken, is een teeken van minachting, preutschheid of laatdunkendheid.
Neemt men die leelijke gewoonte aan, dan krijgt 't gelaat op den duur een eigenaardige
uitdrukking, welke niets bekoorlijks heeft...
Sommige lieden hoort men altijd snuiven; anderen ziet men ieder oogenblik de
neusgaten sluiten en weêr openen en daarbij lucht uitblazen : ook zeer
leelijke, zeer onaangename aanwendsels!
Men mag den neus niet gebruiken als een zuig- en perspomp. - Zij, die onwillekeurig
te veel gedruisch maken als zij door den neus ademen, zullen, in gezel-schap
zijnde, beter doen, door den mond adem te halen. Dat is voor hunne buren niet
zoo hinderlijk...
§ V. - De oogen en de blik.
1. Een zacht en bescheiden oog is in hooge
mate aantrekkelijk; een hard en woest oog verraadt toorn; een trotsch oog, laatdunkendheid
of onbeschaamdheid; een dof oog, slofheid of bekrompen verstand.
Zij, die, voor wat de oogen betreft, door de natuur minder begaafd zijn, moeten
trachten, door een opgeruimde, bescheiden houding dat gebrek zooveel mogelijk
te verhelpen.
Menschen, die overigens goed kunnen veinzen, slagen er niet altoos in, de natuurlijke
uitdrukking hunner oogen te verbergen. Wie zich plichtig gevoelt, begrijpt zulks;
zijn blik heeft iets onzekers, dat pijnlijk aandoet, en hij zal 't niet wagen,
den rechter of beschuldiger in de oogen te zien.
2. In gesprek zijnde, moet men niet voortdurend de oogen ten gronde gericht
houden, niet trachten, den blik van dengene, met wien men zich onderhoudt, te
mijden; de eerste fout verraadt onhebbelijke bloodheid, de tweede, mangel aan
oprechtheid. Men houdt het oog eenigszins naar 't gelaat gekeerd van dengene,
tot wien men 't woord richt, maar wachte zich, hem brutaal of scherp in de oogen
te zien.
Sommigen kunnen geruimen tijd strak op een voorwerp blijven staren, zonder dat
dit voorwerp hunne aandacht boeit: louter verstrooidheid, of wel bekommering
over de een of andere gewichtige zaak.
Met de oogen rollen, om zich een vervaarlijk voor-komen te geven; één
oog gesloten houden, als men iemand aanziet; het hoofd omwenden en iemand over
den schouder aankijken; spottend met de oogen knipperen : altemaal dingen, door
de welvoegelijkheid verboden, en die een slechte opvoeding verraden.
3. Wie de oogen op onzedelijke dingen vestigt, handelt in strijd met den geest
des christendoms, met kieschheid en fatsoen, met een goede opvoeding. Een onzuiver
oog, zegt de H. Augustinus, is steeds de voorlooper van een bedorven hart.
« Het oog, dat spot met een vader, en de heilige rechten eener moeder
smaadt, worde uitgerukt door de raven der beke; de jongen van den adelaar mogen
het verslinden! » (Spr. XXX, 17).
§ VI. - Mond, lippen, tanden
en tong.
1. Men houde den mond zeer rein en in zijn
natuurlijken vorm. Open hem niet op gemaakte wijze en buiten noodzakelijkheid.
Spoel hem iederen morgen, en gebruik niets, dat een stinkenden adem kan geven.
Een gapende mond, een altijddurend lachje om de lippen, geven iemand een dwaas
voorkomen.
Gapen, als men in gezelschap is, wordt algemeen als een teeken van verveling
beschouwd, hoewel 't ook uit vermoeienis of uit een ongesteldheid der maag kan
voortkomen, of 't gevolg van een zenuwtrekking zijn kan. Men gape vooral niet
« hoorbaar ».
2. Bijt niet op de lippen, verwring ze niet, pers ze niet opeen ; wacht u, de
bovenlip op te trekken, een scheven mond te zetten, te grijnzen, tanden en tandvleesch
te laten zien.
3. 't Is zeer onbetamelijk, met de tanden te knarsen of ze te gebruiken om zich
de nagels af te bijten, op een potlood te knabbelen, enz.
Vele kinderen bederven zich de tanden, hetzij door ze niet rein te houden, hetzij
door schadelijke voorwerpen als tandenstoker te gebruiken (pennen, spelden,
pennemesjes, de punt van een vork, enz.), hetzij door een of ander te doen,
hetwelk de tanden kan losmaken : bijv. door er draadjes om te slaan en eraan
te trekken, spelden ertusschen te wringen, op een zeer hard voorwerp te bijten,
enz.
't Is noodzakelijk, dikwijls de tanden te reinigen, en dit vooral na den maaltijd.
Men gebruikt daartoe een ganzepen of een ander soort van tandenstoker. Daarna
vaagt men ze af met een vochtige doek, maar dit mag natuurlijk niet aan tafel
gebeuren.
4. Laat nooit de tong zien ; hoogst onfatsoenlijk is het, ze uit te steken.
Sommige kinderen brengen onophoudelijk de tong nu vooruit, dan achteruit en
bewegen ze voortdurend : een dwaze, leelijke gewoonte, die hunne trekken misvormt.
Zorgt, dat degene, tot wien gij spreekt, geen speeksel uit uw mond in 't aangezicht
krijge. Dit kan lichtelijk gebeuren, als gij de tong over de tanden en tot aan
de lippen laat komen.
§ VII. - Rug, schouders
en armen.
l. Men ziet vaak jongelingen, die vooroverloopen,
zoodat men ze voor grijsaards zou aanzien of voor menschen met een van nature
krommen rug : bespottelijk, nietwaar?
2. 't Is niet welvoegelijk, terwijl men naar iemand luistert de schouders in
een soort van trillende beweging te brengen. Neem van jongs al de gewoonte aan,
u recht te houden en de schouders in te trekken, opdat de borst zich vrij kunne
ontwikkelen.
3. Kruist gij de armen, houdt ze dan niet tegen 't lichaam gedrukt. Ontdoe u
ook van de slechte gewoonte, de handen in den zak te steken : die grove onwellevendheid
komt, jammer genoeg, zeer dikwijls voor.
Leun niet op den elleboog als men spreekt of naar u luistert. Iemand met den
schouder of den elleboog terzijde duwen, is hoogst onwellevend.
§ VIII. - Handen, vingers
en nagels.
1. Aan de zindelijkheid der handen herkent
men een beschaafd, wèlopgevoed mensch. Wasch ze telkens en met zorg,
als gij ze hebt vuil gemaakt
Een schrijver zegt niet ten onrechte « Een verzorgde hand doet mij steeds
aan ingeboren kieschheid en aan een zorgvuldige opvoeding denken. Ik weet niet,
waarom ; maar 't komt mij voor, dat tusschen die twee dingen eenig verband bestaat.
»
Kinderen raken gaarne met de hand aan kleeren of voorwerpen, die hun bevallen
: Hebt gij, jonge lezer, die leelijke gewoonte aangenomen, laat ze dan, wat
ik u bidde, onmiddellijk varen!
Zekere jongelingen zijn onverdragelijk als ze tot u spreken : zij wrijven zich
de handen, slaan met de vlakkehand tegen hun dij, ballen de vuist, grijpen u
bij den arm of zelfs bij den kraag !... Een wèlopgevoed jongeling zal
die onhebbelijke aanwendsels vermijden.
2. 't Is niet geoorloofd, van verre of van nabij den persoon, van wien
men spreekt, met den vinger aan te wijzen, nu eens aan dezen, dan weêr
aan genen vinger te trekken, de vingers te laten kraken of ze in grilligspelende
beweging te houden.
3. Men moet de nagels zorgvuldig onderhouden en ze op tijd knippen ; maar zulks
in iemands tegenwoordigheid te doen, is een grove onbeleefdheid. Men bedient
zich van een schaartje, en niet van een zakmes. Dat men in geen geval de nagels
mag afbijten, behoeft wel niet gezegd.
§ IX. - Beenen en voeten.
1. Als men gezeten is, mag men de knieën
noch te ver vaneen houden, noch ze tegen elkaar persen. Met de ellebogen erop
leunen, is zeer onwellevend.
Met de beenen wiegen, ze uitstrekken, ze over elkander slaan, verraadt gebrek
aan opvoeding ; vooral in tegenwoordigheid van aanzienlijke personen moet men
dit alles zorgvuldig vermijden.
Als men staat, houde men de punten der voeten buitenwaarts gekeerd, en de hielen
bijna tegen elkaar. Beweeg niet onophoudelijk de voeten ; trappel niet ; draai
niet rond op den hiel ; zet niet den eenen voet op den anderen.
Vermijd ook een slependen gang, loop niet op de teenen, als wilder gij huppelen,
instede van behoorlijk te gaan. Wie bij 't stappen veel en onnoodig gerucht
maakt ; wie hard op den grond stampt en zich meer van die fraaiigheden veroorlooft,
onthoude zich liefst van alle aanspraak op wellevendheid en opvoeding.
't Is zeer onfatsoenlijk en in strijd met de christelijke zachtmoedigheid,
iemand, wie 't ook zijn moge, te schoppen. Wie zich aan die buitensporigheid
plichtig maakt, bewijst, dat zijne opvoeding te wenschen overliet en dat van
zelfbeheersching bij hem geen sprake is.
HOOFDSTUK III.
DE OPSCHIK
§ I. - Opstaan en slapengaan.
l. Laten wij van 't opstaan af op onszelven letten. Wie langer slaapt dan noodig,
gewent zich niet zelden aan een weekelijk en zinnelijk leven, dat én
voor de ziel én voor 't lichaam groote gevaren meebrengt.
Tenzij men zeer zwaren arbeid heeft moeten verrich-ten, zijn zeven of acht uren
slapen voldoende.
Men make zich gewoon, vroeg op te staan, en wijke niet om elke beuzelarij van
die gewoonte af; dit geldt ook voor kinderen, die niet zwak of ziekelijk zijn.
2. Bij uw ontwaken moet gij allereerst door een acte van liefde uw hart tot
God verheffen.
Sta vervolgens op, en doe zulks met christelijke zedigheid. Blijf niet in uw
hemd staan, en laat buiten noodzakelijkheid borst en beenen niet bloot.
3. Na u gewasschen en gekleed te hebben, zult gij - zoo mogelijk op de knieën
- het morgengebed verrichten.
Ga vervolgens - als dit gevoegelijk geschieden kan - uwe ouders, of dengenen,
die hunne plaats innemen, « goeden morgen » wenschen. Vraag naar
den staat hunner gezondheid, en luistert aadachtig naar hetgeen zij u te zeggen
en te bevelen hebben. Alles, wat u bevolen wordt, zult gij stiptelijk volbrengen,
ook dan, als 't u minder prettig voorkomt.
4. Maak u gewoon, nimmer te gaan slapen, alvorens uwe ouders of oversten «
goeden nacht » gewenscht te hebben. Jegens uw dierbare ouders en jegens
degenen, die hunne plaats bij u innemen, kunt gij u nooit eerbiedig genoeg toonen.
Vergeet niet hun zegen te vragen.
Wordt het avondgebed niet gemeenschappelijk verricht, vergeet dan, in uwe slaapkamer
gekomen, niet, God te aanbidden en Hem voor zijn weldaden te danken. Nooit moet
ge inslapen, zonder uw geweten onderzocht en een acte van berouw verwekt te
hebben.
5. Leg of hang uw kleeren behoorlijk in orde ; draag zorg, dat ze niet kreuken,
niet vuil worden. Leg u bij voorkeur op de rechterzijde, zulks met 't oog op
een geregelden bloedomloop.
En denk aan dit woord der Schriftuur : « Dwaas, die gij zijt ! nog dezen
nacht zal men uwe ziel van u opeischen. » (Luc. XI1, 20).
§ II. - Hoe men zich moet
kleeden. - De Kleederen.
1. Het betaamt, dat kinderen zich-zelf
kleeden, zoodra ze daartoe in staat zijn. De tegenovergestelde gewoonte zou,
het geval van ziekte of zwakte uitgesloten, luiheid of weekelijkheid bevorderen.
Wie zich « buiten noodzakelijkheid » in iemands bijzijn kleedt of
ontkleedt, kan niet als een welopgevoed mensch beschouwd worden.
2. De welvoeglijkheid eischt, dat we immer net en zindelijk gekleed zijn, zelfs
in onze kamer, als geen andere personen ons zien.
Als men geene bezoeken wacht of zelf moet afleggen, kan men de kleederen aantrekken,
die 't gemakkelijkst schijnen, mits ze onder het oogpunt van zedigheid niet
te wenschen overlaten; maar wie zich buiten vertoont, moet steeds met zorg gekleed
zijn. Hoe drukkend de zomerhitte ook zijn moge, nimmer is 't geoorloofd, met
bloote borst, blooten hals en blootsvoets in iemands tegenwoordigheid te verschijnen.
Draag geen te nauwe kleeren, want die beklemmen de organen, verhinderen
de normale ontwikkeling van 't lichaam en kunnen ziekten en gebreken veroorzaken.
Dikwijls van lijflinnen veranderen, is niet slechts bevorderlijk voor de gezondheid,
maar wordt ons ook door de welvoegelijkheid geboden.
3. Alles, wat naar pronk en overdreven weelde zweemt, druischt in tegen den
goeden smaak en maakt veelal een slechten indruk. De romanschrijver, die een
ijdel persoon met weinig smaak en kieschheid wil afschilderen, stelt hem voor
met een zware horlogieketting, talrijke, breede ringen, groote knoopen, enz.
Alle buitensporigheid in kleeding en opschik is in strijd met de christelijke
zedigheid, geeft aanleiding tot zware uitgaven en maakt dengene, die er zich
aan over-levert, bespottelijk.
4. Maar zijn er jongelieden, die te veel werk van hun opschik maken, anderen
verwaarloozen hem uit gewoonte of ingeboren slordigheid.
Laat u nimmer zien met een slordig geknoopte das, met een vuilen boord, met
doorgeloopen af plooiende kousen, met gescheurde kleeren, met lompe of slijkerige
schoenen. Een jongeling, die eenig begrip van eigenwaarde heeft, zal dit alles
met zorg vermijden.
5. Zonderlingheid in de kleeding maakt belachelijk, ja, wordt niet zelden als
een blijk van storing der geestvermogens beschouwd. Voor wat de keus en den
vorm der kleederen betreft, volge men zooveel mogelijk de mode en gebruiken
van 't land, waar men gevestigd is. Is echter die mode buitensporig. onbetamelijk,
dan kan ze niemand, en zeker geen vreemdeling, binden. Een jongeling kan zich
natuurlijk niet kleeden als zijn grootvader ; maar steeds en overal wachte hij
zich door zonderlingheid in zijn opschik de aandacht te trekken.
§ III. - Handschoenen en
hoed.
1. Tot een nette, deftige kleeding behooren
handschoenen. Ze zijn een voorbehoedmiddel tegen de guurheid van 't weder, houden
de handen zindelijk en worden door 't gebruik voorgeschreven.
De bewering, dat handschoenen niet meer in de mode zijn, is valsch.
Wie slechts één handschoen aantrekt en met de bloote hand den
anderen zwaait, mag geen aanspraak op keurige opvoeding en fijne beschaving
maken.
De kleur der handschoenen kan en moet natuurlijk verschillen volgens de omstandigheden.
In 't algemeen zijn halfdonkere tinten of zelfs donkere kleuren verkieselijk.
Draag zorg, steeds handschoenen bij u te hebben : een onvoorzien bezoek kan
ze onmisbaar maken.
2. Ook de hoed speelt een gewichtige rol in de samenleving. Draag hem zooals
't behoort ; zet hem niet op één oor, of achterover.
Om iemand te groeten, neemt men den hoed met de rechterhand af en brengt hem
met tamelijk breed gebaar ter zijde, niet te laag, niet tegen heup of dij. Als
de beleefdheid voorschrijft, met ongedekt hoofd te blijven staan, kan men den
hoed vóór de borst houden.
Op vijf of zes schreden afstands van den persoon, dien men groeten wil, neemt
men den hoed af ; de binnenzijde late men niet zien.
Is men, gezeten zijnde, verplicht, blootshoofds te blijven, dan houde men den
hoed op de knieën, tenzij men gelegenheid heeft, hem op de plaats, daarvoor
bestemd, op te hangen of neêr te leggen.
HOOFDSTUK IV.
DE MAALTIJDEN
§ I. - Het voedsel.
1. « De mensch leeft niet om te eten,
maar hij eet om te leven. »
De natuur laat ons in 't voedsel, dat zij ons aanbiedt, zekere voldoening vinden,
welke door niets veroordeeld wordt ; maar Godsdienst en rede verbieden ons alle
onmatigheid in 't genot van spijze en drank. De heilige Apostel Paulus zegt
nadrukkelijk, dat wij, hetzij we eten, hetzij we drinken, hetzij we iets anders
doen, alles moeten verrichten tot meerdere glorie van God.
Gulzigheid brengt de gezondheid in gevaar ; zij vermindert de helderheid van
geest, verzwakt den wil, is de moeder van bijna alle ondeugden. Zij maakt zelfzuchtig,
lui, opvliegend, enz.
De matigheid, door Rochefoucauld de « liefde tot de gezondheid »
genoemd, is een uitstekend middel om ons verstand te ontwikkelen, onze geestvermogens
te versterken, onze driften te overwinnen, allerlei ziekten en kwalen te vermijden.
2. Voer geen onderhoud, waarbij
slechts de tafel met haar zinnelijk geneucht ter sprake komt. Zijt ge verplicht,
erover te spreken, doe 't dan zonder ophef, zoo eenvoudig mogelijk ; breng niet
met welbehagen zekere maaltijden, waaraan gij deelnaamt, in herinnering, en
wacht u vooral, te pronken met uitnoodigingen, die gij ontvangen hebt, of die
u waarschijnlijk zullen geworden.
De matigheid vordert, dat men zooveel mogelijk op vaste uren etc. Wie elk oogenblik
eet of drinkt, heeft 't aan zich-zelf te wijten als hij voor een gulzigaard
of drinkebroer wordt aangezien.
3. De ouders, die hunne kinderen meenemen naar een feest, waar, onder den invloed
van wijn en andere dranken, de opgeruimdheid lichtelijk in losbandigheid ontaarden
kan, begaan een zware fout en brengen de onschuld van hun kroost vrijwilig in
gevaar. Ook dan, als men vooruit weet, dat aan tafel ernstige zaken besproken
zullen worden, late men de kinderen thuis; in zulke gevallen kan hunne tegenwoordigheid
last veroorzaken, ja, gevaarlijk zijn. « Ook kleine muisjes hebben ooren
», zegt 't spreekwoord.
De opgeruimdheid, welke bij een feest- of vriendenmaal heerscht, moet onder
elk opzicht met den geest van 't Evangelie, met de waardigheid des christen
menschen strooken. Vuile of platte liedekens, kwaadspreken, achterklap, liefdelooze
oordeelen, ruwe spotternijen, dubbelzinnige woorden en uitdrukkingen onteeren
den disch.
Bij die soort van samenkomsten, even goed als bij de andere, moeten de kinderen
zich beleefd en bescheiden gedragen.
4. Overweeg bijwijlen deze gedachten, aan het H. Schrift ontleend : «
Beter het leven des armen onder een planken dak, dan kostbare spijzen in eens
vreemden woning. » (Eccl. XXIX, 22).
« Niet van brood alleen leeft de mensch, maar van alle woord, dat komt
uit den mond Gods ».
« Het Rijk Gods is niet spijs en drank, maar gerechtigheid, en vrede,
en blijdschap in den Heiligen Geest ». (Rom. XIV, 17).
§ II. - Voor den maaltijd.
l. De uitnoodiging tot een feest- en vriendenmaal
moet minstens acht dagen te voren mondelings of schriftel ijk geschieden.
In 't laatste geval moet hij, die de uitnoodiging ontvangt, den gastheer onverwijld
laten weten, of hij ze al dan niet kan aannemen. In « beide gevallen »
betuigt men zijn dank. Eene weigering worde zóó ingekleed en uitgelegd,
dat ze den gastheer niet kan grieven; een woord van leedwezen mag natuurlijk
niet achterwege blijven.
2. 't Is in strijd met de wellevendheid, op zich te laten wachten. De genoodigden
behooren eenige oogenblikken (vijf minuten) vóór 't bepaalde uur
aanwezig te zijn.
3. Wordt ge uitgenoodigd, aan tafel te gaan, loop dan niet als een uitgehonderde
naar de eetzaal, en laat de personen, die onder eenig opzicht uw meerderen zijn,
vóór u binnentreden.
4. Bij staatsiediners zijn de namen der gasten vooruit aangebracht op de keerzijde
van de spijskaart of wel op andere, daartoe bijzonder bestemde kaartjes. Men
buigt zich een weinig over de tafel, om zijn naam te zoeken, maar zulks moet
zonder overhaasting of in-'t-oog-vallende nieuwsgierigheid gebeuren. «
Zoek niet tusschen de kaartjes op de eereplaatsen ». 't Staat u vrij,
een medegast, wiens naam gij toevallig ontdekt hebt, stilletjes zijn plaats
te wijzen.
Zijn de plaatsen niet vooruit aangewezen, dan schikke zich eenieder naar 't
mondelings uitgedrukt verlangen der gastvrouw of des gastheeren.
5. Kinderen en jongelingen moeten natuurlijk steeds de laagste plaatsen innemen,
tenzij men ze dwingt, hoogerop te gaan.
In geen geval mag iemand, die geen u goede « plaats » getroffen
heeft, daarover een zweem van misnoegdheid toonen. Men moet redelijk zijn; 't
is voor de gastvrouw zeer moeilijk, ja, bijna onmogelijk, alle gasten naar hun
smaak en zin te « plaatsen ». Denk daaraan, en gij zult haar een
kleine teleurstelling niet euvel duiden !
6. Men bedient zich van een servet om zijne kleeren niet te bemorsen; men zou
dus eigenlijk wèl doen, het zoo breed mogelijk te ontplooien en zich
de vóórzijde van 't lichaam bijna geheel ermeê te bedekken.
Toch is men gewoon, het servet enkel op de knieën uit de breiden; de «
mode » wil 't zoo... Bedien u echter vrij van 't servet om u de lippen
en vingers te reinigen.
7. Op de spijskaart (het menu) staan de verschillende schotels vermeld in de
volgorde, waarin zij opgediend worden. Gewoonlijk heeft ieder gast zijn «
menu ». Niemand is verplicht, van alle schotels te nemen; men raadplege
de spijskaart en doe zijn keuze. Als de aard der spijs het meêbrengt,
dat de bedienden vóór elken gast een gevuld bord plaatsen, kan
men 't gerust onaangeroerd laten. Om te weigeren, is een gebaar of teeken voldoende.
Als men aanneemt is danken overbodig. Elk genoodigde neemt de spijskaart, die
zijn naam draagt mede naar huis.
8. Behoud de goede gewoonte, vóór en na den maaltijd te bidden.
In zekere omstandigheden doe men het bij voorkeur op minder-in-'t-oog-vallende
wijze; maar van den anderen kant ware het lafheid, over die uiting van godsdienstzin
te blozen. Wie er de spot meê drijft, geeft blijk van onverdraagzaamheid
en gebrek aan tact en opvoeding. Op zulke spotternijen antwoorde men door een
glimlach; geen heftig verweer, geen redetwist!
§ III. - Bediening en tafelgereedschap.
Het bedienen aan tafel kan op verschillende
manieren gebeuren, en de gast moet zich eraan schikken.
1. Komt de bediende rond met de schotels, laat ze dan, terwijl ge u bedient,
in zijne handen.
2. Geeft de eene gast den anderen de schotels over, laat ze dan niet in de handen
van uw tafelgebuur, die ze u aanbiedt. Is de schotel bijzonder zwaar, houd hem
dan vast, terwijl de volgende gast zich bedient; deze zal den persoon, die naast
hem zit, denzelfden dienst bewijzen.
Het tafelgereedschap.
1. 't Is niet welvoegelijk, lepel, vork of mes met de punt omhoog in de hand
te houden, met die voorwerpen gebaren te maken, ze af te likken of diep in den
mond te steken. Men grijpe ze niet vast met de volle hand.
Als gij lepel of vork aan den mond brengt, beschrijf dan met uw arm geen halven
kring, maar houd ze tamelijk dicht tegen het lijf.
2. De lepel wordt altijd met de rechterhand genomen. Het uiteinde van den steel
moet aan den eenen kant tegen den wijsvinger en den middelsten vinger rusten,
en aan den anderen kant door den duim weêrhouden worden. Men brengt den
lepel met de punt, en niet met een der zijden, aan den mond. Hoorbaar slurpen
bij 't eten van soep enz. is zeer onwelvoegelijk.
3. Bij 't eten van zachte, gemakkelijke verdeelbare spijzen houdt men de vork
zooals den lepel. Bij andere spijzen, vleesch bij voorbeeld, houdt men de vork
tusschen den duim en den middelsten vinger, en drukt er met den wijsvinger op.
Als men zich tegelijkertijd van 't mes moet bedienen, houdt men de vork dikwijls
in de linkerhand; wij zien er voor u geen Bezwaar in, dat gebruik - van Engelschen
oorsprong - te volgen. Om een snede vleesch te nemen, bedient men zich niet
van zijn eigen vork, maar van die, welke op den schotel ligt.
4. Het mes dient om vleesch enz. in stukjes te snij-den. Men neemt het vast
bij 't heft. Als men 't niet meer vannoode heeft, legt men het neder. Gebruik
het niet om voedsel aan den mond te brengen.
§ IV. - Houding aan tafel.
Er zijn omstandigheden, waarin men gebrek
aan opvoeding en misslagen tegen de welvoegelijkheid in zekere mate verhelen
kan; maar « aan tafel », bij de maaltijden, is dat onmogelijk. Aan
zijne houding aan tafel kent men den beschaafden, kieschen, wèlopgevoede
jongeling.
Neem de gewoonte aan, u aan den huiselijken disch, ja, ook dan, als gij alléén
eet, even zindelijk en net te gedragen als bij vreemden of aan de feesttafel.
Doet ge het niet, dan zullen, wanneer gij buitenhuis een maaltijd neemt, uw
bewegingen linksch en onbeholpen zijn, vernederende ongeoefendheid verraden.
Een oude stelregel luidt : « Niemand wordt beleefd geboren; men moet het
worden ».
2. Sommige menschen keeren hun rechterbuur den rug toe, om met hun linkerbuur
gemakkelijker te kunnen spreken, en omgekeerd, voorwaar zéér onbeleefd!
Men blijve recht zitten, het gelaat naar de tafel gekeerd, en buige zoo noodig
enkel « het hoofd » een weinig rechts of links. Stijfheid moet vermeden,
maar gij moogt u niet diep over uw bord buigen.
3. Andere personen strekken over 't bord van hun tafelgebuur heen den arm uit
om een-of-ander, dat ze noodig hebben, te grijpen, bijv. het zoutvat, de karaf,
enz. Een vergrijp tegen de wellevendheid, dat spreekt van-zelf! Maar wat dan
gedaan? Bedient een knecht aan tafel, vraag hem dan half-fluisterend de voorwerpen,
die gij begeert. Is er geen bediende aanwezig, verzoek dan uw buurman, u het
verlangde aan te geven.
Ik behoef u waarschijnlijk niet te zeggen, dat men ofwel met 't lepeltje, daartoe
bestemd, ofwel met de punt van 't mes, zout en peper neemt. Wie met z'n vingers
in 't zoutvat grijpt, is een...
4. Hebt gij den « hik », verwijder u dan, en keer niet terug aan
tafel vóórdat de zoo hinderlijke aandoening voorbij is.
Bij 't niezen moet ge uw servet vóór den mond houden, om uw tafelgebuur
een onaangename « opfrissching » te besparen...
Men kan, aan tafel zittende, behoefte gevoelen, zich den neus te snuiten. In
dit geval neme men ongemerkt de zakdoek en bediene zich ervan zonder geraas
en op zeer kiesche wijze. 't Is kinderachtig of boersch-beleefd, zich om te
keeren om aan die zoo natuurlijke behoefte te voldoen.
Welk beschaafd mensch zal eraan denken, zich aan tafel de tanden te reinigen?
Hoogstens zou men, in geval van uiterste noodzakelijkheid, zich van een tandenstoker
kunnen bedienen, daarbij de linkerhand vóór den mond houdende.
5. Aan tafel moet men : niet te veel spreken, noch over de opgediende spijzen,
ncoh over een ander nutteloos onderwerp; - niet schaterlachen; - geen stroef
gelaat toonen, niet hardnekkig zwijgen, niet te veel op zich-zelf letten; -
niet geeuwen, niet slapen, zelfs niet « knikkebollen », (als men
zijn slaaplust niet langer bedwingen kan, verwijdere men zich liever) ; - zijn
tafelgebuur niets aan 't oor zeggen, alsof men geheimen had; - « op z'n
eentje » of heimelijk met zijn buurman lachen, alsof de anderen niet mogen
weten, « waarom » men lacht : dit is een zware overtreding van de
regelen der wellevendheid.
Wie al-door babbelt, het hooge woord voert, al te luid spreekt, geeft blijk
van laatdunkendheid en weinig verstand.
Wind u niet op, als men over 't een-of-ander redetwist; wees niet uitgelaten;
maak geen leven; sla niet op de tafel - houd u bedaard!
De opgediende spijzen beknibbelen; zich een woord laten ontvallen, dat de personen,
die: u genoodigd hebben, ofwel uw medegasten zou kunnen hinderen; eenig onderwerp
aanroeren, dat anderen zou kunnen walgen en den eetlust benemen : altemaal leelijke
dingen, die gij, als welopgevoed jongeling, met zorg vermijden zult.
§ V. - Verschillende wenken.
1. Neem niet te veel in den mond, en geen
te warme spijzen, want dat zou u leelijke gezichten doen trekken, een bespottelijke
figuur doen maken. Eet niet te snel en niet gulzig : de gezonheidsleer verbiedt
u zulks even streng als de wellevendheid... Wacht u, hetzelfde stuk meer dan
ééns aan of op de vork te nemen; gij zult het in één
keer verorberen, en vooruit zorg dragen, dat de stukken niet te groot zijn.
Kauw « met gesloten mond », en laat de tong niet tegen 't gehemelte
klappen. Zoo gij op uw tanden zoogt om ze van achtergebleven voedseldeeltjes
te bevrijden; zoo gij met de tong over de lippen streekt, of u als een gulzig
poesje « den baard lektet », zoudt ge iets doen, wat de faam uwer
wellevendheid niet kan verhoogen. Integendeel...
2. Nooit mag men een stuk, dat men heeft aangeraakt, terugleggen op den schotel.
Roer niet in den schotel om een stuk, waarop gij belust zijt uit te zoeken.
Steek uw bord niet vooruit, om vóór de anderen bediend te worden.
Kijk niet naar 't bord van uw tafelgebuur, en stel hem niet voor, hetgene hij
gekozen heeft met u te deelen. Ruik niet aan de opgediende spijzen. Draag zorg,
dat de lepel of vork, welke gij hebt gebruikt om u te bedienen, niet met den
steel in den schotel valle. Stapel de borden niet op elkaar : dat is 't werk
der bedienden.
3. Een fijn stuk, dat u wordt aangeboden om u eer aan te doen, moogt ge niet
weigeren : geen weerstand, geen « complimenten » ! Wat voor u persoonlijk
is bestemd zult ge nimmer een tafelgebuur opdringen; dat ware een onbeleefdheid
aan 't adres van dengene, die 't u heeft aangeboden.
4. Is 't een of ander gerecht niet wel gelukt, eet dan niet « met lange
tanden ». en doe, alsof gij 't niet bemerktet. Met zulk een offertje betaalt
gij de gastvrijheid, u gulhartig geschonken, niet te duur.
5. Vindt men iets onzindelijks in de spijzen, dan houde men het zoo goed mogelijk
verborgen, of late, zoo noodig, het
bord door een bediende wegnemen,
zonder aan zijn tafelgebuur een woord ervan te zeggen.
Als men u te rijkelijk heeft bediend, of als gij vreest, onpasselijk te zullen
worden, behoeft gij uw bord niet te ledigen. Tracht evenwel, dit onbemerkt te
laten.
§ VI. - Soep en tafeldrank.
Soep.
1. Zeer vele menschen durven niet beginnen te eten, vóórdat iedereen,
ook de gastvrouw en de gastheer, bediend is. Schoon die nauwgezetheid of bescheidenheid
op een dwaling berust », beginne men niet met onbetamelijken spoed te
lepelen, of grijpe niet als een uitgehongerde naar 't eerste gerecht.
2. Blaas niet bij elken lepel over uwe soep, om ze af te koelen; roer ze bedaard
om en wacht, zoo noodig, een beetje.
Vul uw lepel niet zóó, dat er telkens, als gij hem aan den mond
brengt, een weinig soep terug in 't bord valt. Eet zonder geslurp; dat geluid
is zeer hinderlijk. Verbeeld u een « concerto » van een twintigtal
soepslurpende gasten !
Om 't bord geheel te ledigen kunt gij 't een weinig schuin houden (en, om dit
te doen, het oplichten bij 't verst verwijdert gedeelte van den rand). Wees
echter niet bang, een paar druppels te laten verloren gaan. Als men gedaan heeft
late men den lepel in 't bord.
Drank.
1. Wees matig, en dit vooral in 't gebruik van wijn. Vergeet niet, dat verschillende
wijnsoorten, achtereen en vooral door elkaar gebruikt, ook dan, als ze in betrekkelijk
kleine hoeveelheden genomen worden, gauw naar t' hoofd stijgen. Liever dan een
ziertje van zijn verstand op den bodem van 't glas te laten, onthoude men zich
van alle gegiste dranken.
2. Om wijn te schenken neemt men den « buik » van flesch in de hand,
en wel zoo hoog, dat de wijsviger uitgestrekt op den hals kan rusten. Nooit
steke men de vingers in de holte van den bodem. Is 't glas gevuld (niet overvuld),
dan rechte men den hals met een snelle beweging op, en draaie tegelijkertijd
een weinig aan de flesch, om te verhoeden, dat een druppel wijn den tafeldoek
bezoedele.
3. Als 't glas uwer tafelgeburen leeg is, kunt gij hun oorlof vragen, het te
vullen, - dit is zelfs beleefd en vóórkomend, - of 't den bediende,
die schenkt, voorhouden, maar dit nimmer zonder dat zij 't weten. Wil men
u inschenken, neem dan uw glas met de rechterhand op, en bied 't zóó
aan; bij 't terugtrekken van 't gevulde glas een hoofsch « Dank u »
! - méér niet.
Bij staatsiediners is 't schenken de taak der bedienden. In dit geval neemt
men zijn glas niet in de hand, maar late het kalm staan.
4. Alvorens te drinken vaagt men zich, zoo noodig, met 't servet den mond af;
met de lippen 't glas vet maken, is een afkeerwekkende onbeleefdheid. Na gedronken
te hebben, doet men hetzelfde. Als men drinken wil, mag 't glas niet met een
onstuimige beweging opgenomen worden : men zal het steeds bij den voet en met
de vingers opnemen, - nooit met de volle hand.
5. Draag zorg, niet zoo snel of onbeholpen te drinken, dat de vloeistof van
uwe lippen druipt en uwe kleeren besmeurt; niet met volle mond drinken, of den
geheelen inhoud van uw glas in één teug te ledigen; uw leeg glas
om te keeren op tafel, om te kennen te geven dat ge niet meer drinken wilt.
6. 't Is geen « mode » meer, samen te « klinken » ;
men vergenoegt zich doorgaans met een lichte buiging. Houd evenwel steeds rekening
met de gebruiken van 't gezelschap, waarin gij u bevindt
§ VII. - Hoe men eet.
Oesters.
Men neemt de oesters met de hand van den schotel en legt ze neêr op 't
bord. Meestal echter zijn ze, vóór men plaats neemt aan tafel,
voor elken gast opgediend, ofwel een bediende biedt elk genoodigde een bord
met eenige oesters aan.
Om de oesters te verorberen maakt men ze los met een daartoe bestemd vorkje,
of ook wel met behulp van 't mes ; men besproeit ze met eenige druppels citroensap
(het stukje citroen, bij de oesters gegeven, wordt tusschen duim en wijsvinger
behoedzaam en zindelijk uitgeperst), brengt ze dan aan de lippen en slurpt ze
onhoorbaar op.
Visch.
Men heeft bijzonder tafelgereedschap - vork en mes - om visch te eten. Beschikt
men niet daarover, dan gebruike men enkel de vork, en behelpe zich met een stukje
brood, dat men in de linkerhand houdt.
Na visch gegeten te hebben, legt men 't bijzonder gereedschap, ofwel de gewone
vork, op het bord, opdat een-en-ander
tegelijk met 't bord weggenomen
worde. Zoudt ge nochtans bemerken, dat het tafelgereedschap niet op «
veranderen » berekend is, leg dan hierover geen verwondering aan den dag
; neem in dit geval bedaard de vork terug, die gij op 't bord hadt gelaten,
en leg ze stilletjes neér op de tafel.
Vleesch.
Breng de beenderen, die gij in 't vleesch zoudt vinden, niet aan den mond. Met
behulp van mes en vork make men het vleesch behendig los, zonder evenwel het
been af te schrapen. Het aldus van vleesch ontdane been late men verder stilletjes
op 't bord liggen. Neem het mes niet bij 't lemmer, om meer kracht te kunnen
uitoefenen, terwijl gij met ééne hand het been vasthoudt. De beenderen,
waarvan men 't vleesch heeft weggenomen, worden achtereenvolgens dicht tegen
den verst verwijderden kant van 't bord gelegd, en wel zoo, dat de middelruimte
en de voorkant vrij blijven.
Eieren.
Zachtgekookte eieren worden met een lepeltje gegeten. Men kan er reepjes brood
in doopen en die met behulp van 't lepeltje eruit nemen. De ledige schaal wordt
ingedrukt, verbrijzeld, - niet uit bijgeloovige vrees, maar opdat ze niet over
t bord zou rollen.
Asperges.
De asperges worden of met een bijzonder daartoe bestemd schopje, of met een
gewonen lepel en een gewone vork van den schotel genomen en op 't bord gelegd.
Gewoonlijk brengt men de asperges met de vingers aan den mond. - na ze vooraf
in de saus gedoopt te hebben. 't Is echter verkieselijk. met behulp van mes
en vork het malsch gedeelte van 't overige te scheiden, en dat gedeelte met
de vork aan den mond te brengen. In den laatsten tijd heeft een nieuwe uitvinding,
zeker tangetje om asperges te eten, tamelijk veel opgang gemaakt.
Salade.
Laat de salade niet uit de kom op uw boord « glijden ». Men bedient
zich van een bijzonder gereedschap, den saladelepel en vork, tusschen welke
voorwerpen men een kleine portie van de groente behendig samenperst en
opneemt.
Salade wordt « niet » op 't bord « gesneden ». Zij moet
zóó ter tafel verschijnen, dat men geen gevaar loopt, zich het
aangezicht te besmeuren, door te groote blâren aan den mond te brengen.
Radijsjes.
Sommige personen nemen, met behulp van mes en vork, het groen der radijsjes
weg, en pikken het radijsje-zelf aan de vork, om 't aan den mond te brengen.
Overdreven, en niet heel « chic! » Kan men 't radijsje niet opnemen
bij 't groen, zonder zich de vingers te bevuilen ?
Kaas.
Men snijdt de kaas - wij spreken hierover « harde » kaas - op 't
bord in stukjes (niet de geheele portie in eens). en brengt, met behulp van
't mes, ieder stukje op een hapje broods aan den mond. De stukjes kaas met de
« punt » van 't mes aan den mond te brengen, is niet geoorloofd.
« Zachte » kaas wordt als boter op het brood gesmeerd ; roomkaas
(fromage á la créme) met den lepel gegeten.
Brood.
Het brood wordt niet gesneden, maar « gebroken ». De stukjes moeten
zoo klein zijn, dat ze in ééns in den mond gestoken kunnen worden.
Ik heb niet zelden jongelingen ontmoet, die aan tafel bolletjes kneedden van
broodkruim : wees toch, wat ik u bidde, niet zoo kinderachtig-onbeleefd ! 't
Is niet toegelaten, stukjes brood op 't bord te werpen, om een te vloeibare
spijs te nuttigen of om een restje saus te verorberen.
Boter.
Gewoonlijk ligt er een mes op 't boterschaaltje. Bedien u ervan om de noodige
hoeveelheid boter op den rand van uw bord te leggen. en smeer ze met behulp
van uw mes op uw brood.
Taarten en ander gebak.
Neem met de vork of den schepper, die op de schaal ligt, een der vooraf gesneden
stukken, welke men u aanbiedt ; met uw dessertvork kunt ge dan het gebak in
kleinere stukjes verdeelen en ze aan den mond brengen.
Kleine, droge gebakjes worden met de hand genomen ; opgepast, de hand niet te
bezoedelen !
Vruchtengeleien.
Vruchtengeleien, - « confituren, jams » - worden niet met de vingers
aangeraakt, maar op brood gesmeerd, en zoo aan den mond gebracht. Vruchtengeleien
en ingemaakt ooft worden ook met de dessertlepel gegeten, maar niet met de vork.
Fruit.
1. Appels, peren, pruimen, perzikken, noten, kersen, enz. worden met de «
vingers » uit de schaal, waarin men ze aanbiedt, genomen ; frambozen,
aardbeziën, aalbessen en soortgelijk « klein » en zacht fruit,
met den lepel.
2. Om vruchten te schillen en te eten gebruike men niets dan 't dessertmesje
en den dessertlepel, - tenzij men dat gereedschap niet te zijner beschikking
heeft. Worden er bijzondere « fruitmesjes » gegeven, dan gebruike
men natuurlijk die, in plaats van 't stalen dessertmes.
3. Om een appel of peer te eten, verdeelt men eerst de vrucht over haar lengte
(hoogte) in vier stukjes. Schil ze boven uw bord, en verwijder het « klokhuis
». Verdeel, zoo noodig, het geschilde vierendeel in twee of meer stukjes,
en breng ze of met den dessertlepel, of met de vingers aan den mond. Schil,
pitten, enz. worden natuurlijk zóó opgehoopt, dat de middelruimte
van 't bord gemakshalve vrij blijft.
4. Sinaasappelen en « mandarijen » eet men 't best op de volgende
manier: snijd de vrucht over haar breedte (dikte) in tweeën ; verdeel verder
iedere helft in verschillende stukjes en maak bij elk dier stukjes of schijfjes
een kleine insnede tusschen het vleesch en de schil. Deze laat dan gemakkelijk
voor drie-vierden los, en men brengt 't schijfje aan den mond, waar 't vleesch
zich geheel van de schil afscheidt.
5. Wilt ge een trosje druiven eten, neem 't dan met de linkerhand bij 't einde
van den steel, maak de druiven één-voor-één los
en breng ze met de rechterhand aan den mond.
6. Bij 't eten van kersen of ander fruit, dat niet gesneden wordt, spuwt men
de pitten niet op 't bord, maar brengt den dessertlepel - of, bij gebreke van
dien, de hand, - aan den mond, laat er de pitten op vallen en maakt er tegen
den rand van 't bord een hoopje van. Kraak de pitten niet met de tanden, en
open ze niet met den punt van 't mes.
§ VIII. - Het einde van
den maaltijd.
1. Als er een « toast » wordt
uitgebracht, luistere men aandachtig naar den redenaar en vermijde alles, wat
de opmerkzaamheid der andere gasten zou kunnen afleiden. Wordt gij uitgenoodigd
op iemand een heildronk uit te brengen, vermijd dan gezochtheid en langdradigheid.
maar wees beschaafd in uw uitdrukkingen.
2. Bij sommige staatsiediners worden de gasten bij 't eind van den maaltijd
vingerdoekjes en half met lauw water gevulde glazen kommetjes aangeboden ; men
wascht zich daarin de toppen der vingers, en droogt ze af aan 't doekje.
3. Een christen mag niet nalaten, na den maaltijd den Gever van alle goed voor
zijn weldaden te danken. Verricht die korte dankzegging op eenvoudige, ongezochte
wijze, maar zonder menschelijk opzicht.
4. Bij familiediners en andere maaltijden, waarbij de wellevendheidsvormen (de
étiquette, zegt de Franschman) minder streng in acht worden genomen,
neemt men de koffie zonder van tafel op te staan. Na de koffie legt men 't servet
behoorlijk op tafel (ongevouwen), maar niet vóór dat de gastheer
of gastvrouw het voorbeeld geeft. Als men opstaat van tafel laat men zijn stoel
op de plaats, waar hij zich bevindt.
Bij groote diners gaat men de koffie in den salon gebruiken. De gastvrouw of
gastheer geven daartoe het teeken. Alle gasten staan dan op en begeven zich
naar den salon, waar de koffie gereed staat. Drinkt ge koffie, neem dan suiker
met de tang ; doet ge het met de vingers, werpt dan nooit de stukjes suiker,
die ge hebt aangeraakt, terug in de vaas. Blaas niet over de koffie, als ze
te warm is. Bij 't drinken houdt men steeds het schoteltje in de linkerhand
; de koffielepel wordt op het schoteltje, niet in de tas gelegd.
Kinderen mogen den voet niet zetten in de « rook-kamer » waar de
heeren soms na de koffie bijeenkomen.
5. Sta niet te driftig en ook niet met ontevreden gelaat van tafel op.
De welvoegelijkheid eischt. - tenzij men ernstige, dringende redenen heeft om
zich te verwijderen, - dat men na afloop van den maaltijd minstens nog een uur
in den salon blijve. Is men genoodzaakt, vroeger heen te gaan, dan doe men het
zoo ongemerkt mogelijk, maar niet zonder afscheid van de gastvrouw en den gastheer
genomen te hebben.
Binnen de acht dagen, die op 't diner volgen, behoort men hun, als 't eenigszins
kan, een bezoek te brengen. De Franschen noemen dat bezoek « visite de
digestion » ; de letterlijke vertaling daarvan : laquo; verteringsbezoek
» ! klinkt den Vlaming en den Nederlander 'n beetje zonderling in 't oor...
HOOFDSTUK V.
BETREKKINGEN
§ II. - Onze plichten.
1. De plichten van den christen jongeling
spruiten voort uit de eerbiedige dankbaarheid, welke hij aan zijn oversten of
weldoeners schuldig is, of uit een gevoel van kieschheid en betamelijkheid ten
opzichte van degenen met wie hij in de samenleving in aanraking komt.
2. God, onze Schepper en Opperste Weldoener, heeft recht op onze aanbidding
en hoogste eerbewijzing.
Zij, die in deze wereld de plaats van God bekleeden: de priester, onze ouders
en oversten, moeten steeds het voorwerp eener bijzondere vereering en liefde
zijn.
3. Hij, die zijn ouders waarlijk bemint, zal begrijpen, hoe zoet het is, de
plichten van gehoorzaamheid en kinderlijken eerbied te vervullen. Hij zal zijn
vader en moeder met teere liefde omringen, hun in alle omstandigheden zijn vol
vertrouwen schenken, de offers, die zij voor 't welzijn van hun kind brengen,
hoogelijk waardeeren.
Nieuwjaar, andere groote dagen van 't jaar, het naamfeest en de geboortedag
van vader en moeder zijn voor een dankbaar kind kostbare gelegenheden om zijnen
ouders roerende blijken van liefde en erkentelijkheid te geven. Wordt het gezin
op een of andere wijze beproefd, dan zal een goed zoon alles doen, wat in zijn
vermogen staat, om vader en moeder te troosten.
Zijn uw ouders verplicht, u terecht te wijzen, luister dan met eerbied en dankbaarheid
naar hunne woorden. Geen tegenspraak, geen onverschilligheid, geen onhebbelijk
schouder-ophalen, geen zuur gezicht!
4. Na de ouders hebben de oversten het meeste recht op liefde en dankbaarheid.
Toon u eerbiedig in hun tegenwoordigheid, gehoorzaam vlijtig aan hun bevelen,
volg trouw hunne wenken. Steeds moet het voor u een eer en vreugde zijn, hen
te ontmoeten, eenigen tijd in hun gezelschap te mogen doorbrengen.
5. Betuig uwen broeders en zusters oprechte genegenheid, ware gehechtheid; doe
wat in uw vermogen staat, om hun aangenaam te zijn, hun geluk te bevorderen.
Tusschen broeders moeten oprechtheid en zoete vrijheid heerschen: maar geen
bittere verwijtingen, geen opvliegendheid, niets, wat met de broederlijke liefde
in strijd is!
6. Jegens uwe vrienden moet gij u dienstvaardig en hartelijk toonen. En jegens
uw ondergeschikten, én jegens uw vrienden betamen u goedheid en zachtmoedigheid.
Val hun niet lastig buiten noodzakelijkheid; maak hen niet tot slachtoffers
uwer grillen en luimen. Al te groote gemeenzaamheid past evenmin als trots en
onverschilligheid.
§ II. - In de kerk.
1. Als de geloovigen een juist begrip van
de heiligheid onzer kerken hadden, zou hun gedrag in 's Heeren tempel nimmer
te wenschen overlaten. Onze kerken zijn heilig, omdat God ze vervult met zijn
aanbiddelijke Tegenwoordigheid, omdat er 't woord Gods verkondigd wordt, omdat
men er bidt, en eindelijk en vooral ter oorzake van Christus waarachtige Tegenwoordigheid
in de Eucharistie, het groot Geheim zijner liefde. Zou 't, als men van die waarheden
beter doordrongen was, wel noodig zijn, te zeggen, hoe men zich in eene katholieke
kerk gedragen moet? ...
2. Als men eene kerk binnentreedt, neemt men eerbiedig wijwater met den vingertop;
doop uwe hand niet grootendeels in 't water, laat geen druppel op den grond
vallen, en wacht u, het gelaat of de kleeren van anderen ermeê te besproeien.
Moget ge bij 't nerven van wijwater met de gevoelens van David bezield zijn,
en met den koninklijken Harpenaar spreken : « Wasch mij méér-en-méér
van mijne ongerechtheid, en reinig bij van mijne zonde. »
3. Als men de kerk binnentreedt, moet alle gesprek ophouden, Buiten noodzakelijkheid
veroorlove men zich niet ééne vraag (tenzij misschien als ze op
de kerkelijke diensten betrekking heeft).
Men zoeke. zoo mogelijk, eene plaats, waar men de plechtigheden op 't altaar
goed kan volgen, en 't woord Gods duidelijk verstaan.
Moet men, naar zulk een plaats gaande, het Tabernakel voorbijkomen, dan buige
men de knie; bij de zijaltaren (waar geen mis wordt gelezen) buige men slechts
eerbiedig 't hoofd. De personen, die men voorbijkomt, groet men niet, of enkel
met een knikje. Hoogst oneerbiedig ware het, iemand, die u den weg verspert,
opzij te duwen. Vraag beleefd en fluisterend, u door te laten. Zijn de geloovigen
te dicht saamgepakt, wacht dan geduldig tot er gelegenheid kome, verder te gaan.
4. Zij, die niet in staat zijn, lang uit zich-zelf te overwegen, hebben een
boek noodig, waarin zij, - en dit is voor elkeen van onwaardeerbaar nut, - de
liturgische plechtigheden kunnen volgen.
De H. Mis is de verhevenste uiting van godsdienst; met welk een diepen eerbied
moeten wij ze bijwonen! De kinderen moeten zich van-jongs-af eraan gewennen,
een eerbiedige, ingetogen houding aan te nemen, niet rond te kijken, zich enkel
bezig te houden met hetgeen er op den autaar geschiedt.
Een wèlopgevoed kind is in de kerk steeds ernstig; losbollen daarentegen
lachen zonder reden of om een nietigheid. Als een misdienaar eene fout begaat
of iets laat vallen; als iemand valsch zingt of 't Latijn verkeerd uitspreekt,
kunnen zij hun dwazen lachlust niet bedwingen. Een nauwelijks merkbaar glimlachje
kan soms verontschuldigd worden; maar uitgelaten vroolijkheid, allerlei teekens
en gebaren, fluisterend gevoerde gesprekken, enz. betamen allerminst in 't Huis
van den goeden God.
5. 't Is een vrij algemeen gebruik, bij de Hoogmis, gedurende het « Gloria
», het « Epistel » en de deelen, die volgen tot aan 't
« Sanctus » te blijven zitten, met dit voorbehoud, dat men 't «
Evangelie » niet zittende, maar « staande » aanhoort. Bij
gelezen Missen ga men eerst nà het « Evangelie » zitten,
en kniele weêr bij 't « Sanctus ». Vermijd bij op 't opstaan
en gaan-zitten alle gedruisch; moet gij uw stoel een weinig verplaatsen doe
't dan onhoorbaar. Zijt ge neêrgeknield of gezeten, zet dan de beenen
niet ver vaneen, en sla ze niet over elkaar; dit is, zooals gij weet, zelfs
in een salon niet geoorloofd!
6. Luister met diepen eerbied naar Gods heilig woord. Hoest en kuch zoo weinig
mogelijk terwijl de priester op den kansel staat: uw zakdoek moet ge dan slechts
in geval van uiterste noodzakelijkheid gebruiken.
7. Verlaat de kerk niet vóórdat de priester, die de H. Mis heeft
opgedragen, in de sacristie is teruggekeerd; bij Vespers of Lof, niet vóórdat
de plechtigheid « ge-heel » is afgeloopen.
8. Bij processies in of buiten de kerk vermijde men alles, wat de orde zou kunnen
storen; men stappe niet sneller of langzamer dan de anderen, zinge niet luider,
niet sneller of langzamer dan de leden van 't zangkoor, die de processie vergezellen.
De eerbied, waarmede men zulke verheven en indrukwekkende plechtigheden moet
bijwonen, verbiedt ons natuurlijk, het hoofd om te wenden, rond te kijken, te
spreken, te lachen, personen, die men voorbijkomt, bij hun naam te roepen, enz.§
III. - Het huis, waar men zijne opvoeding ontvangt.
Een opvoedingsgesticht is eigenlijk een deftig, beleefd gezin, waar alle deugden
moeten bloeien.
Een jongeling, die 't groot gewicht der christelijke opvoeding beseft, zal nooit
deel uitmaken van een « bent », zich streng onthouden, tusschen
zijn medeleerlingen tweedracht te zaaien;
nooit door een schuldig zwijgen de misbruiken, die ook in 't beste gesticht
wortel kunnen schieten, bevorderen; nooit dengene, die de bevoegde overheid
met die misbruiken in kennis zou willen stellen, bedreigen of bespotten;
niet gewetenloos de aan het gesticht toebehoorende voorwerpen beschadigen. Wie
zulk, doet, handelt tegen fatsoen en rechtvaardigheid, en is in geweten verplicht,
de aangerichte schâ te vergoeden. Een wèl-opgevoed, van nature
kiesch jongeling zal voor een voorwerp, dat anderen toebehoort of hem in bruikleen
is afgestaan, nog méér zorg dragen dan voor zijn eigendom.
2. Slechts min-of-meer onbeschaafde jongelingen zullen den eerbied, hun oversten
verschuldigd, te-kortschieten.
Meent ge, uwen onderwijzers een opmerking te moeten maken, doe 't dan eerbiedig,
niet laatdunkend, vrijpostig, uit geest van verzet.
Houd, terwijl ge met uw oversten spreekt, uw hoed of pet in de hand, tenzij
ze u verlof geven, u te dekken. Zeer ondankbaar en onwelvoegelijk is het, zijne
onderwijzers te bedillen, kwaad van hen te spreken, moedwillig een blaam op
hun karakter of gedrag te werpen. De jongeling, die zoo handelt, heeft géén
of weinig besef van de toewijding zijner leeraren en opvoe-ders, van de vele
offers, welke zij iederen dag voor hem brengen.
3. Alle leerlingen van een gesticht moeten elkaar op nette wijze bejegenen.
Geen « kwasterij », geen « pedanterie » ! Ongedwongen,
beleefde, voorkomende manieren. Elk leerling moet trachten, zich die goede manieren
aan te wennen, door degenen zijner makkers, die onder dit opzicht boven anderen
uitmunten, tot voorbeeld te nemen.
Wees tegen niemand onbeschoft; drijf met niemand den spot, om welke reden het
zijn moge.
't Is kleinzielig, vaak zelfs laf, een nieuw leerling in verlegenheid te laten,
hem uit louter moedwil verkeerd in te lichten, enz.
Dat jongens elkaar een beetje « plagen », is niet zoo heel erg,
als 't niet te ver gaat. Door dit middel worden niet zelden gebreken uitgeroeid,
welke anders zouden voortwoekeren. Hij, die 't voorwerp van de scherts zijner
kameraden is, make zich niet boos, stuive niet op in kinderachtigen toorn; maar
zij, die hem « plagen », mogen van hun kant niet vergeten, dat ruwe
boert, bijtende scherts de liefde kwetsen, tot haat en wrok stemmen.
Men blijve elkaar van 't lijf : « Jeux de mains, jeux de vilains »,
zegt niet ten onrechte het Fransch spreekwoord. Stoot of duwt elkander dus niet
bij 't uitgaan van de klas, bij 't verlaten van studiezaal, refter, enz.
Over zekere ruw- en onbetamelijkheden. waaraan een wèlopgevoed mensch
zich niet plichtig maakt, zwijgen we hier liever...
4. Ziehier, hoe een groot bisschop, Mgr Dupanloup, denkt over de opvoeding en
over 't Huis, waar men opgevoed wordt :
« De opvoeding is voor den mensch niet slechts een dringende behoefte,
iets strikt-noodzakelijks. maar ook een edel, kostbaar sieraad; zij moet de
natuur verzachten, tooien, tot hoogere schoonheid opvoeren.
« De opvoeding moet het kind niet slechts ontwikkelen, maar ook beschaven...
« De wellevendheid is geenszins uitsluitend het deel van de hoogere standen
der samenleving. Bij de opvoeding van 't meerendeel der menschen moet zij een
hoofdrol spelen. Geeft zij niet elkeen « groote manieren », het
hart van den eenvoudigen boer, van den behoeftigen werrkman kan zij even goed
« polijsten », even goed vormen, als dat van een rijkaard, van een
edelman. Heure taak is, den geheelen mensch, zijn woord, zijn blik, zóó
te maken, dat hij ieders achting afdwingt.
« De christelijke opvoeding heeft onder dit opzicht wonderen gebaard;
en een geheel leven is voor wèlopgevoegde jongelingen niet genoeg, om
hunnen innige dankbaarheid jegens 't huis, waar zij gevormd zijn, te toonen.
»
§ IV. - Bezoeken.
l. De bezoeken vormen een belangrijk deel
van de maatschappelijke betrekkingen.
Sommige bezoeken zijn « noodzakelijk », worden ons door de liefde
of de billijkheid voorgeschreven. Andere bezoeken, die men welstaanshalve brengt
kunnen ook moeilijk achterwege blijven; nog andere, die wij « staatsiebezoeken
» zullen noemen, geschieden uit louter beleefdheid, om niet aan de gebruiken
te kort te schieten.
2. Billijkheid of liefde maken het ons ten plicht, bezoeken te brengen aan :
onze bloedverwanten, die ziek of bedroefd zijn, of in druk of in netelige omstandigheden
verkeeren ; aan onze oversten, om hun den eerbied en 't vertrouwen, die zij
ons inboezement, uit te drukken : aan onze minderen, om hen te stichten, te
troosten, en hun, zoo verre het in ons vermogen staat, te verschaffen wat hun
noodig en nuttig is.
De duur van elk bezoek zal geëvenredigd zijn aan de beweegreden, die ons
ertoe noopt.
Welvoegelijksbezoeken onderhouden en bevorderen de vriendschapsbetrekkingen.
Op zekere tijden van 't jaar en in bijzondere omstandigheden worden zulke bezoeken
door 't gebruik voorgeschreven; men rekke ze niet onnoodig door eindeloos gebabbel.
Wat de meer « intieme » bezoeken betreft, deze zijn aan geen bepaalde
regels gebonden ; hun duur en menigvuldigheid hangen af van de mate onzer vriendschap
en belangstelling.
« Staatsiebezoeken » - een bijzondere vorm van de beleefdheidsbezoeken
- moeten uit den aard der zaak zeer kort zijn, in geen geval langer dan tien
of vijftien minuten duren.
3. Elk uur van den dag is niet voor bezoeken geschikt. Men regele zich naar
de plaatselijke gebruiken en naar de gewoonte van de personen, wien men een
bezoek schuldig is. Over 't algemeen kan men bezoeken brengen : 's morgens,
van tien tot twaalf ure ; 's namiddags, van twee tot vier ure in den winter,
en tot vijf ure in den zomer. Een vasten regel kunnen wij hier echter onmogelijk
aangeven.
§ V. - Bezoeken, die men
aflegt.
l. Legt gij bezoeken af en vindt gij de
deur gesloten, trek dan niet met geweld aan den schelknop (aan de bel), maar
juist hard genoeg om u te laten hooren. Als men niet onmiddellijk komt openen,
moet ge, alvorens opnieuw aan te bellen, een oogenblik wachten.
Hoe gemeenzaam gij ook met de bewoners van 't huis pleegt om te gaan, treed
nooit ergens binnen, zonder hen vooraf op de een of andere wijze van uwe tegenwoordigheid
te verwittigen (ook dan, als gij de deur open vindt).
2. Neem den hoed af zoodra gij binnen zijt; laat uw regenscherm in den gang
of 't voorhuis, en, als men u daartoe uitnoodigt, ook uw overjas en hoed. In
't tegenovergesteld geval houdt men den hoed in de hand.
Moet men, wat niet zelden gebeurt, in de voorkamer een poosje wachten, dan is
't hoogst onwellevend, te neuriën, te fluiten, de meubels aan te raken,
door 't venster te kijken. - Kinderen vooral moeten eraan denken, dat zij in een
vreemd huis niets mogen aanraken.
3. Als de heer des huizes in eigen persoon u in de voorkamer komt afhalen en
u verzoekt, vóór te gaan, moet gij die attentie zonder weêrstand
aannemen. Wat verder het vóórgaan betreft, wij schrijven voor
wèlopgevoede jongelingen, en die begrijpen van-zelf, wat hun onder dit
opzicht past...
4. Bij 't binnentreden van den salon groet de bezoeker de bewoners van 't huis
(en vraagt, als 't pas geeft, naar den staat hunner gezondheid) ; treft hij
er andere bezoekers aan, dan bepaalt hij zich voor-allen-te-saâm tot één
hoofsche buiging. Als men tusschen hen een vriend ziet, kan men hem gerust de
hand drukken en naar zijne gezondheid en die zijner huisgenooten vragen.
5. Vindt men, eene kamer binnentredende, den persoon, wien men een bezoek brengt,
met anderen in gesprek over zaken. dan store men geenszins 't onderhoud, blijve
op eenigen afstand, en wachte totdat hij vrij is.
6. Wordt gij uitgenoodigd, u van uw hoofddeksel te ontlasten, leg 't dan neder
op een behoorlijke plaats - nooit op de tafel, op een stoel of ander meubel.
Houd gedurende het bezoek uw handschoenen aan, tenzij men u noopt, eene verversching
te nemen.
In eene kamer, waar èn armzetels èn gewone stoelen staan, moet
een jongeling geen zetel nemen ; wordt er hem een aangeboden, dan strekke hij
zich niet achteloos of lui erin uit, maar houde zich recht.
Het bezoek-zelf moet niet te lang duren ; hebt gij u aan de plichten der wellevendheid
gekweten of de u opgedragen boodschap verricht, houdt dan de personen, die gij
bezoekt, niet onnoodig op. « Een verstandig mensch », zegt «
la Bruyère », « ziet onmiddellijk, of zijn bezoek den heer
des huizes aangenaam is, of hem verveelt... »
't Is niet welvoegelijk, onmiddellijk heen te gaan als een nieuw bezoeker den
salon binnentreedt. Wie zulks doet, neemt den schijn aan, den binnentredenden
persoon te vluchten... uit natuurlijken afkeer, als 't een onbekende is. Men
wachte in ieder geval nog een oogenblik.
Als men zich in talrijk gezelschap bevindt, moet men stilletjes heengaan, zonder
opschudding of hinder te veroorzaken.
Wil de persoon, dien gij bezoekt, u uitgeleide doen, verzoek hem dan, zich niet
die moeite te geven ; maar dringt hij aan, laat u dan zonder weêrstand
de attentie welgevallen en betuig hem uwen dank.
Wacht u, het voorbeeld van degenen te volgen, die den drempel van 't huis over
een menigte dingen beginnen te praten, die hun, terwijl ze in den salon waren,
ontschoten zijn.
§ VI. - Bezoeken, die men
ontvangt.
1. 't Is onwellevend, de personen, die
u een bezoek komen brengen, te laten wachten. Als gij niet onmiddellijk komen
kunt, moet gij u verontschuldigen.
Wordt ge door andere personen of door gewichtige zaken opgehouden, laat dan
den bezoeker door een uwer huisgenooten ontvangen.
2. Als de bezoeker eene kamer binnentreedt, waar gij u reeds bevindt, zou 't
met de beleefdheid strijden, te blijven zitten en hem niet tegemoet te gaan.
Altijd en onmiddellijk moet men den bezoeker uitnoodigen, plaats te nemen, maar
niet op den stoel, waarop men zelf gezeten heeft.
3. Brengt iemand u een bezoek gedurende den maaltijd, noodig hem dan aan tafel,
tenzij « uw » stand of « zijne » bezigheden het niet
toelaten. In dit geval moet gij opstaan van tafel, en dat hinderlijk bezoek
ontvangen.
Heeft uw bezoeker een hoed of andere voorwerpen, die hem hinderen, noodig hem
dan uit, zich daarvan te ontlasten. Of, beter nog, steek de hand uit en
zeg « Laat mij u ontlasten ».
5. Worden u gedurende een bezoek brieven gebracht, open ze dan niet, tenzij
de zaak geen uitstel duldt. In dit geval moet gij oorlof vragen.
Wijd uw aandacht en zorg niet aan een hond of eenig ander dier : de bezoeker
alléén heeft recht op uw attentie.
6. Als een bejaard persoon zich de moeite geeft, lieden, die veel jonger zijn
dan hij, een bezoek te brengen, moeten zij hem in hoofsche termen danken.
Ook als iemand van hoogen rang ons met zijn bezoek vereert, moeten wij hem danken
; dit geldt ook voor personen, die 't zeer druk hebben en ons niettemin uit
vriendschap of belangstelling komen bezoeken.
Wordt ons bij zeer ongustig weder een bezoek gebracht, dan mogen we daarover
vrij onze blijde verrassing en onze dankbaarheid uitdrukken.
7. Wat de « voorstellingen » betreft, een grijsaard wordt niet voorgesteld
aan een jongeling, een voornaam persoon niet aan iemand van lageren stand -
het « tegendeel » moet geschieden.
De « voorstelling » gebeurt over 't algemeen zeer eenvoudig en zonder
veel woorden. Veronderstel, dat ik den heer X. aan den heer Y. moet voorstellen;
tot den heer Y. sprekende, wijs ik dan met een los gebaar van de hand op den
heer X. en zeg : « Veroorloof mij » (of: « Ik heb de eer,
») « u mijnheer X. voor te stellen. « De heer Y. zal een beleefde
buiging maken, en ik voeg er, tot X. sprekende, onmiddellijk bij : « Mijnheer
Y. » Deze maakt dan op zijne beurt eene buiging.
8. Kunt gij uw bezoekers niet zoo lang gezelschap houden als de beleefdheid
het schijnt te vorderen, moet gij u zoo beleefd mogelijk verontschuldigen en
ronduit zeggen, wat u elders roept.
Gewoonlijk doet men een bezoeker uitgeleide tot aan de deur. Zij, die een openbaar
ambt bekleeden, kunnen, als 't werk hen dwingt, in hun kabinet blijven en plichtpleging
achterwege laten.
§ VII. - Visietkaarten.
1. De visietkaarten hadden vroeger schier
uitsluitend ten doel, afwezige of verhindere personen te kennen te geven, dat
men van plan was, hun een bezoek te brengen. Schoon in onzen tijd het «
gebruik » van visietkaarten in misbruik » dreigt te ontaarden, kunnen
wij ze niet missen. Het moet dan ook gezegd, dat die kleine stukjes karton hun
veelzijdig nut hebben ; dat ze een uitsluitend middel zijn om onze maatschappelijke
betrekkingen te onderhouden en te vergemak-kelijken.
2. Men vindt allerlei soorten van kaartjes ; in de keus derzelve moet èn
slordigheid èn gezochtheid vermeden worden. Het kaartje van een jongeling
moet zeer eenvoudig zijn; dat pleit voor zijn bescheidenheid, voor den ernst
zijner levensopvatting.
Op de kaartjes duidt men eenvoudig zijn naam, zijn ambt of betrekking aan en
soms - onderaan rechts - zijn adres. Men kan ze in gewonen boekdruk of in steendruk
laten maken ; steendruk is 't sierlijkst maar... ook heel wat duurder dan
't werk van den typograaf. Voorname personen geven meestal de voorkeur aan kaartjes,
uitgevoerd in steendruk (lithographie).
In geval van rouw hebben de kaartjes een zwarten rand - min of meer breed naar
gelang de personen, over wien, wij rouw dragen, ons nader in den bloede bestond.
Ook de tijd, sinds het overlijden, is van invloed op de breedte van den rouwband.
3. In vele omstandigheden kan eene visietkaart een felicitatiebezoek (P. F.),
of een bezoek van rouwbeklag (P. C.) of wel een eenvoudig beleefdheidsbezoek
vervangen.
Men laat het door een bediende of door den post bestellen - of geeft het zelf
af, wat een blijk van bijzondere belangstelling of onderscheiding is.
Wil men iemand een bezoek brengen en vindt men hem afwezig, dan geve men den
bediende, die de deur opent, zijn kaartje af, of werpt het in de bus. In dit
geval moet men den linkerbenedenhoek van 't kaartje omvouwen, om te kennen te
geven, dat men persoonlijk gekomen is. Bij een geschenk, dat men niet zelf gaat
aanbieden, voege men zijn kaartje, om geen twijfel aan de herkomst te laten.
4. Tot welk een nederigen staat de afzender van een kaartje ook behoore, hij,
die 't ontvangt, moet, al bekleedt hij in de samenleving een veel hoogere positie,
die beleefdheid onmiddellijk door toezending van « zijn » kaartje
beantwoorden.
Men lette behoorlijk op de spelling der namen, om bij 't schrijven van een adres
voor 't kaartje, waarmede men antwoordt, geen abuis te maken; zulke abuizen
maken lichtelijk een slechten indruk en doen aan slordigheid of onverschilligheid
denken...
Valt niet elkeen lastig met de toezending van uw kaartje ; vergeet niet, dat
gij degenen, wien ge die eer aandoet, « dwingt », te antwoorden,
willen ze niet trotsch of onbeleefd schijnen; zend er dus geen zonder behoorlijke
redenen, en dan nog slechts aan personen, met wie gij in voldoende betrekking
staat.
Sommige personen stellen zich tevreden met 't zenden van hun kaartje, waar een
keurig opgesteld briefje heel wat beter op zijne plaats ware.
Laat de kaartjes, die gij ontvangt, niet weken en maanden tusschen de lijst
en 't glas van uw spiegel steken. Die uitstalling heeft iets pronkerigs, iets
ijdels, dat niet in uw voordeel pleit, misschien zelfs den lachlust opwekt...
§ VII. - Groet; handdruk.
De groet.
De groet is een teeken van eerbied en genegenheid, althans een blijk van welvoegelijkheid.
Hoe moeten wij groeten en wanneer?
1. Wacht niet om het hoofd te ontblooten, totdat ge zeer dicht bij den persoon
zijt, dien gij groeten wilt; op vijf of zes schreden afstands moet ge het reeds
doen.
Ontmoeten twee personen elkaar, dan moet de minst waardige het eerst groeten.
Als ze van denzelfden rang zijn, moeten ze beiden tegelijk groeten.
Gij ontbloot u 't hoofd met de rechterhand, en brengt den hoed lager naarmate
de persoon, dien gij groet, waardiger is. Tegelijkertijd wendt ge u dan naar
zijn kant en maakt een méér-of-minder diepe buiging.
Gewoonlijk groet men zonder iets te zeggen; maar als ge een vriend ontmoet,
kunt ge hem gerust een hartelijk « Goeden morgen! » - « Goeden
avond! » enz. toewenschen. Dat is minder stijf dan een zwijgende groet.
2. Ziehier in hoofdzaak, wie en wanneer gij moet groeten :
Uw oversten, overal waar gij ze ontmoet;
de personen, met wie gij betrekkingen onderhoudt; als ge onbekenden ontmoet
op een niet-openbare plaats, bij voorbeeld in den tuin of op de binnenplaats
eener woning, waar gij een bezoek brengt;
als ge iemand vergezelt, en die persoon een kennis groet, moet gij eveneens
groeten, al was die kennis voor « u », een vreemde;
iedermaal als men u 't eerst groet;
als gij een wachtkamer binnentreedt, een spoorwegrijtuig binnenstapt, enz. ;
in dit geval groet men de aanwezigen gezamenlijk door even den hoed af te nemen.
De handdruk.
1. De handdruk is een teeken van vriendschap of bijzondere achting.
In 't algemeen moet ge personen, die ge voor de eerste maal aanspreekt, niet
de hand toesteken; doe 't ook niet bij het einde van 't eerste onderhoud, tenzij
het aanleiding tot blijvende betrekkingen moet geven.
Wie zijn meerdere het eerst de hand toesteekt, handelt tegen de wellevendheid;
steekt « hij » u de hand toe, druk ze dan eerbiedig.
2. Over 't algemeen moet de handdruk maar even voelbaar zijn. Hij kan vergezeld
gaan van een lichte buiging, tot teeken van achting en eerbied.
't Is zeer onbeleefd, ja beleedigend, de u gereikte hand maar even aan te raken,
of iemand slechts één of twee vingers toe te steken. De handdruk
moet los, ongedwongen en hartelijk zijn.
Wie iemands hand te lang in de zijne houdt of ze te stevig drukt, geeft blijk
van een verwaarloosde opvoeding.
§ IX. - Op straat.
1. Gaat ge óf met vader óf
met moeder alléén uit, houd u dan aan zijn of haar linkerzijde.
Vergezelt ge daarentegen én vader én moeder. Laat dan moeder in
't midden gaan en blijf aan haar linkerhand.
Aan een ouderen broeder of aan eene zuster laat men gewoonlijk de eereplaats
(den rechterkant).
Daar op straat de kant, waar de huizen staan, de gemakkelijkste is, laat men
dien over aan de personen, welke men eeren wil.
In een rijtuig is de eereplaats op de achterste bank, rechts.
2. 't Is niet wellevend, zich om te keeren of te blijven staan, om iemand aan
te staren, te zien of hij groet. Wilt ge, dat men u voor een ernstig en beschaafd
jongmensch houde, kijk dan, al gaande, niet onophoudelijk rechts en links.
3. Let erop, hoe ge uw regenscherm houdt, hetzij open, hetzij gesloten, anders
zoudt ge lichtelijk iemand hinderen, of zelfs kwetsen. De punt van een wandelstok,
dien men bij voorbeeld onder den arm draagt, kan óók gevaarlijk
worden... Al hebt ge nog zooveel haast, nimmer moogt ge de menschen, die gij
ontmoet, uit den weg duwen of met den elleboog stooten. Hebt ge dit laatste
onwillekeurig gedaan, verontschuldig u dan.
4. Hebt ge een politieagent of een ander persoon naar den weg gevraagd, of de
een of andere inlichting van hen ontvangen, neem dan uw hoed af en zeg een woord
van dank.
§ X. - Op reis.
In een spoorwegrijtuig biedt een wèlopgevoed
man oudere personen, al zijn ze hem ook te eenenmale onbekend, de beste plaats
- den hoek - aan. Bij 't instappen neemt hij den hoed af. Wie die beleefdheid
niet beantwoord is een... lomperd ! - Trap de personen, die tegenover u zitten
niet op de teenen; moet ge iemand voorbijkomen om naar een onbezette plaats
te gaan, verontschuldig u dan. Neem niet al te zeer uw gemak; doe anderen geen
last aan, zet u niet op hunne kleederen. De banken zijn bestemd tot «
zitplaatsen », niet tot « rustbedden » : vergeet dat niet!
Alvorens het portierglas op te halen of neêr te laten, moet ge uw medereizigers
vragen, of zij er geen bezwaar in zien. Toon u dienstvaardig, geef bereidwillig
de gevraagde inlichtingen, reik een uitstappend reiziger gaarne zijn valiesje
toe, verwittig hem, als hij iets vergeet. Maar dit moet ik u op 't hart drukken
: wees « hoogst voorzichtig » in uw omgang met personen, die ge
niet kent. Toon u « beleefd », maar « niet gemeenzaam
»!
§ XI. - Toevallige betrekkingen.
l. Vele personen zullen een bank-, post-
of spoorwegbureel binnentreden, zich tot de bedienden wenden en weêr heengaan,
zonder een zweempje beleefdheid aan den dag te leggen. Zij, die zoo handelen,
moeten al heel trotsch of laatdunkend zijn, althans eene gebrekkige opvoeding
ontvangen te hebben.
Wèlopgevoede personen groeten steeds als zij ergens binnentreden, en
bedienen zich van hoofsche uitdrukkingen : « Mijnheer, zoudt ge zoo goed
willen zijn, mij te zeggen », - « mij dit of dat te geven »,
enz. Hebben zij de begeerde inlichting of 't gevraagde voorwerp ontvangen, dan
betuigen zij hun dank, en groeten nog eens bij 't weggaan. Wees overtuigd, dat
zulke beleefde menschen zelden of nooit over lastige, onhebbelijke bedienden
te klagen hebben.
2. Bij 't binnentreden van een winkel moet gij u aan de volgende regels houden
:
Neem uw hoed af en houd hem in de hand, - maar dit geld niet voor de z. g. bazars, waar
't gewoonlijk zeer druk is. - Is er niemand in den winkel, begin dan niet luidkeels
te roepen, maar klop bescheiden op de toonbank. - Groet den persoon, die voorkomt,
en zeg beleefd, wat gij noodig hebt : « Mijnheer, ( mevrouw, juffrouw),
ik zou gaarne dit of dat hebben ». - « Wilt ge zoo goed zijn, mij
dit of dat te laten zien? » enz. - Heeft de winkelier of winkelierster
veel last met u, verontschuldig u dan. - Iets afkeuren, omdat het niet bevalt,
of om 't goedkooper te krijgen, is kleingeestig en onbetamelijk. Slechts dan,
als men werkelijk te veel voor iets vraagt, mag aanmerking op den prijs gemaakt
worden In winkels, waar men « gewoon » is, te overvragen, mag de
klant onder dat oogpunt iet-wat vrijer te-werk-gaan.
§ XIII. - Leenen en ontleenen.
Leenen heeft dikwijls onaangename gevolgen.
Vraag slechts in geval van nood iets te leen, en houd u stipt aan de volgende
regelen :
1. Leent ge iemand een boek, voorzie 't dan nimmer van een omslag, hoe prachtig
hij ook wezen moge; want dit zou beduiden : « Ik vrees, dat ge mijn boek
vuil zult maken, dat ge er niet voorzichtig genoeg meì om zult gaan ».
Is de persoon, die u het boek te leen vraagt, inderdaad slordig en onzindelijk,
zoek dan liever een voorwendsel om 't hem niet toe te vertrouwen.
Dit nu betreft dengene, die uitleent. Wat den ontleener aangaat, deze moet zorg
dragen voor 't boek (eens anders eigendoml) al is 't ook maar ingenaaid of reeds
veel gebruikt. Hij moet 't werk van een omslag voorzien, met zindelijke vingers
de bladen omkeeren, bij 't lezen geen vlekje achterlaten, het boek niet zoover
openen, dat de rug kan lijden, en het teruggeven in denzelfden staat, waarin
hij 't ontvangen heeft. Gebeurt er een ongelukje met 't boek, - de mogelijkheid
daarvan is, trots alle zorg, niet uitgesloten, - dan zal hij 't zoo goed mogelijk
herstellen, of, zoo noodig, een nieuw exemplaar koopen.
2. Begint het onverwacht te regenen terwijl ge ergens op bezoek zijt, en leent
men u een regenscherm, laat hem dan zoo gauw mogelijk terugbrengen, maar niet
vóórdat hij droog en, zoo noodig, met een zachten borstel van
slijkspatten gezuiverd is.
HOOFDSTUK VI.
GESPREKKEN
Het gesprek is voor 't maatschappelijk verkeer wat de ziel is voor 't lichaam.
Voor ontwikkelde menschen is het een edele, aantrekkelijke ontspanning, een
bij uitstek aangenaam tijdverdrijf, dat den geest, door studie of zakenbeslommering
afgemat, verpoozing gunt en nieuwe krachten schenkt.
Het gesprek is ook een kostbaar middel om zonder veel inspanning allerlei kennis
op te doen.
Maar laat mij u dringend verzoeken, bij uw gesprekken te letten op hetgene hier
volgt.
§ I. - Stem en uitspraak.
l. Sommige stemmen zijn zacht, zoet, aangenaam:
een kostbare hoedanigheid! Doch er zijn ook harde, schorre, scherpe stemmen,
en wie er zoo een heeft, moet trachten, ze buigzaam, minder onaangenaam te maken.
Oefening ontwikkelt de stem en maakt ze buigzaam; evengoed als iets anders kan
men ze verbeteren en verfraaien.
2. Een hartelijk woord moet, om tot zijn volle waarde te komen, met zachte,
althans vriendelijke stem gesproken worden. Een billijk verwijt, eene gegronde
klacht zal meestal geduldig aangehoord worden, als men niet spreekt op een toon
van minachting of gramschap.
3. Wilt gij u laten verstaan, verhef de stem dan niet te zeer, maar spreek «
duidelijk » en leg behoorlijk den « nadruk ».
Gebrekkige uitspraak is dikwijls hieraan te wijten, dat men in zijn prille jeugd
de « medeklinkers » niet behoorlijk deed uitkomen, en later die
slechte gewoonte behield. Zij kan ook 't gevolg van organische gebreken of van
een zenuwaandoening zijn, en in dit geval kan aanhoudende inspanning niet zelden
verbetering brengen. 't Is van groot belang, van zijne prille jeugd af dat gebrek
te bestrijden, want de ondervinding leert, dat op Lateren leeftijd zulke gewoonten
niet gemakkelijk uitgeroeid worden.
4. Moet men snel of langzaam spreken?
Al te groote radheid van tong is voor uw toehoorders een kwelling, die
hunnen zenuwen onaangenaam prikkelt en hen dikwijls wrevelig stemt. Maar als
gij te langzaam, te slepend spreekt, verveelt gij ze wis. Houd dus den middelweg;
spreek niet te vlug (en vooral ook niet « te veel »!), en ook niet
te langzaam, te gemaakt.
5. Hebt ge aanleg tot « stotteren », neem u dan bijzonder in acht.
Zijt ge waarlijk met dat euvel behept, houd u dan zoo kalm mogelijk, vermijd
alle zenuwachtige opwinding - en gij zult, ondanks uw gesprek, verstaanbaar
spreken.
Wie « uit gemaaktheid » « brouwt », maakt zich belachelijk;
wie 't « van nature » doet, moet juist op die lettergrepen, welke
hij moeilijk kan uitspreken, den meesten nadruk geven. « Oefening baart
kunst », oefening, volhardende oefening, is een kostbaar ding!
§ II. - Sierlijke taal.
l. Bedien u van gewone, heldere, wèlgekozen
uitdrukkingen, strookende met 't onderwerp, dat men behandelt. Eene gezochte
uitdrukking wekt lichtelijk lach- of spotlust.
2. Niet zelden neemt men ongemerkt de gewoonte aan, ieder oogenblik nuttelooze
woorden en zegwijzen te bezigen « En toen... » - « Ziet ge?
» - « weet ge? » - « Niet waar? » - « Natuurlijk.
» - « Dat ziet ge van hier » (een Fransch taaleigen). «
Zulle » (!!!) en meer dergelijke.
Een welopgevoed mensch vermijdt ook met zorg « platte » woorden
en uitdrukkingen. Zeg bijvoorbeeld niet « pikken » voor stelen;
« stommigheid » voor misslag, enz. Zeker al te « naturalistisch
» werkwoord moet ook vermeden; men zegt : « Het riekt hier niet
aangenaam... »
§ III. - De kunst, een
gesprek te voeren.
Ja, dat is een kunst, die slechts weinigen
behoorlijk verstaan. Te dezer zake eenige bemerkingen:
Als ge te lang en te dikwijls over één ding spreekt; als ge tracht,
onderwerpen, waarin gij u meer dan anderen bedreven waant, op het tapijt te
brengen, mishaagt gij zeker uwen toehoorders. Wilt ge niet vervelen, houd dan
meer rekening met « hun » smaak dan met den uwen. Wie meent, zich
« interessant » te maken, door altijd en overal 't hooge woord te
voeren, heeft schromelijk abuis!
§ IV. - De kunst, te luisteren.
1. « Is 't een groote kunst, op tijd
en behoorlijk te « spreken », te weten « zwijgen » is
een niet minder groote kunst. » (La Rochefoucauld).
Wie gaarne en zonder afgunst luistert, en anderen gelegenheid biedt om door
verstand en geestigheid uit te schitteren, verwerft zich vele vrienden.
« Waar de wijzen ons op 't hart drukken, « weinig te spreken »,
bedoelen ze niet, dat we weinig woorden moeten gebruiken, maar dat we zooveel
mogelijk « nuttelooze » woorden vermijden moeten; immers, waar 't
op spreken aankomt, let men niet zoozeer op de « hoeveelheid »,
dan wel op de « hoedanigheid ». Tracht noch in 't een, noch in 't
ander uiterste te vallen. » (H. Franciscus van Sales).
2. Vooral kinderen en jongelui betaamt het, te luisteren, weinig te spreken,
en niet dan op tijd.
Wie « geduldig » weet te luisteren als men hem verveelt, en «
met genoegen », als 't besproken onderwerp goed voorgedragen wordt, is
een wellevend mensch.
Zij, die goed weten te luisteren, verdubbelen het talent van degenen die goed
spreken. Aandachtig het gesprokene volgend, zullen zij schrandere en juiste
antwoorden geven. 't Is waarlijk een kunst, een talent, anderen de vertolking
van hunne gedachten te vergemakkelijken. Wie zoo doet, zal op zijne beurt een
belangstellend, dankbaar gehoor vinden.
3. Wacht u, niet te letten op hetgeen tot u gezegd wordt, om naar personen,
welke het woord niet tot « u » richten, te luisteren; dat is natuurlijk
eene grove onbeleefdheid.
Wij mogen niet den schijn aannemen, minder sierlijke, minder juiste uitdrukkingen
van anderen op te merken.
§ V. - Iemand in de rede
vallen; antwoorden.
1. Kinderen mogen nimmer iemand in de rede
vallen; zij moeten beleefd en bescheiden antwoorden op de vragen, die men hun
stelt, en niet vergeten, nu-en-dan het woord « Mijnheer », «
Mevrouw », enz. te herhalen.
2. Sommige personen zijn gewoon, als ze u niet onmiddellijk begrepen hebben,
u een « hoe? » - « wat? » - « wie? » toe
te schreeuwen, zoo vervaarlijk, dat zenuwachtige menschen erdoor van streek
geraken. Dat past natuurlijk ingeenendeele; en 't ongeduldig, bevelend, onophoudelijk
terugkeerend « hein? » betaamt al evenmin.
3. Andere personen vragen ieder oogenblik, of men wel luistert, of men ze wel
verstaat en begrijpt : hoe aanmatigend en... vervelend ! Als men niet begrepen
wordt, heeft men dit. meestal aan zich-zelf, aan zijn slordige uitdrukkingen
te danken.
4. De wellevendheid verbiedt ons, als we in een gezelschap komen, te vragen
waarover men sprak. Ziet men geen kans, den draad van 't gesprek te vatten,
dan is een bescheiden vraag niet misplaatst, tenzij, naar men voorzien kan,
zulk een vraag het gezelschap in verlegenheid zou brengen. In dit geval zwijge
men liever en wachte geduldig op een voegzame gelegenheid om aan 't gesprek
deel te nemen.
Van den anderen kant eischt de wellevendheid, dat men dengene, die zich bij
het gezelschap komt aansluiten, in 't kort zegge, waarover het gesprek geloopen
heeft. Is de laatstgekomene een hooggeplaatst of eerbiedwaardig persoon, dan
mag die beknopte mededeeling zeker niet achterwege blijven.
5. Elke redekaveling, hoe beleefd en kalm ze ook wezen moge, dient vermeden.
Dit wil echter niet zeggen, dat men nooit zijn meening mag uiten; zijne overtuiging,
vooral waar het den godsdienst betreft, behoeft men niet onder stoelen en banken
te steken. Maar wie niet zekere mate van welsprekendheid en gevatheid bezit,
houde zich in gewone omstandigheden liever een weinig op den achtergrond.
Men redetwist niet zelden over zaken van minder gewicht. Het voorbeeld van hen,
die op alles een antwoord weten, eene oplossing voor elk moeilijk geval, verdient
geen navolging. In 't volle gezelschap moet gij slechts dan, als men 't u vraagt,
uw meening zeggen, en zulks niet op een toon, welke geen tegenspraak duldt,
maar met gepaste bescheidenheid. Wordt ge misschien op harde, onbeleefde wijze
tegengesproken zwijg dan liever, - of staaf, steeds bedaard en beleefd blijvende,
uw gevoelen met de noodige bewijzen. « Koppigheid » betaamt niemand;
wie altijd gelijk wil hebben maakt zich hatelijk, en is veelal iemand van bekrompen
verstand.
6. Zijt ge verplicht, iemand tegen te spreken, zeg dan niet : « Dat is
niet waar! » - « Dat liegt ge! » - « Gij weet niet,
wat ge zegt! » - Zulke uitdrukkingen hoort men niet op de lippen van een
beschaafd jongeling. Vergist zich iemand, breng hem dan zulks op beleefde wijze
aan 't verstand. Zeg bij voorbeeld : « Mag ik u vragen, of gij u niet
vergist? » - « Zijt ge niet verkeerd ingelicht? »
§ VI. - Wat uit zedelijk
oogpunt betaamt.
De gesprekken zijn op de eerste plaats
aan de wetten van godsdienst en zedenleer onderworpen. Gesprekken tegen den
godsdienst, onzedige praat, leugentaal, laster, onbescheidenheid, liefdeloosheid,
walgen elk christen, elk fatsoenlijk, rechtschapen mensch.
Gesprekken tegen godsdienst en zeden.
1. Vlied, o jongeling! het gezelschap dier ongelukkigen, die hun vuile tong
niet weten te bedwingen, ieder oogenblik vloeken, lasteren.
In zaken van godsdienst is alle scherts, iedere lichtzinnige uitdrukking te
eenenmale misplaatst. Wie met de kerkelijke plechtigheden, met de woorden der
H. Schrift, met heilige zaken, met waarlijk deugdzame personen den spot drijft,
is schuldig vóór God. Zulke spotternijen hebben vaak 't droevig
gevolg, dat zij jongelieden, die, zooals men wel eens zegt, nog niet bijster
vast in hun schoenen staan, van den goeden weg aftrekken.
2. Geen fatsoenlijk mensch zal zich een « onzedig woord » laten
ontvallen, zich een « onbetamelijke zinspeling » veroorlooven. Vlucht
degenen, wier vuile tong uw onschuld in gevaar zou kunnen brengen. « Door
het oor, » zegt de Wijze Man, « sluipt het bederf de ziel binnen.
» En de H. Paulus : « Slechte gesprekken bederve goede zeden. »
Leugentaal.
l. De logen is iets schandelijks, iets lafs en laags. Daarom ook « is
het leven der leugenaars een eerloos leven ».
2. De logen berokkent den evenmensch nadeel, want zij bedriegt hem nopens hetgeen
hij 't recht heeft, te weten. Vaak verschuilt zich de logen onder de namen «
dubbelzinnigheid », « voorzichtigheid », enz. ; maar welken
naam, welken vorm zij ook aanneme, zij is en blijft een aanslag tegen de eerlijkheid,
een zondig bedrijf, dat onder geen voorwendsel verontschuldigd kan worden.
3. Tusschen de « nieuwsverspreiders van beroep » vindt men zeer
vele onbeschaamde leugenaars. Wilt ge hun niet gelijken, niet met hen op ééne
rij gesteld worden, verspreid dan geen nieuws, vóórdat gij in
geweten voor deszelfs juistheid kunt instaan. « Fantaseeren » is
u « niet » geoorloofd.
4. Is 't ook niet een vorm van de logen, zijn woord te breken, zijn beloften
niet te houden?...
De voorzichtigheid gebiedt ons, bij 't doen van beloften rekening met de toekomst
te houden, niet onberaden, lichtvaardig te handelen.
Kwaadspreken.
1. « Wie is eigenlijk een kwaaddspreker ? Hij, die, zonder daartoe bijzondere
aanleiding te hebben, van iedereen, zelfs van menschen, die hij niet kent of
die hem te eenenmale onverschillig zijn, kwaadspreekt..., zelfs zijn eigen,
zijn beste vrienden niet spaart - ten minste als zoo iemand vrienden kan hebben.
» (Bossuet).
't Is niet minder onwellevend dan strijdig met den geest van 't christendom,
kwaad van den evenmensch te spreken. Achterklap wordt niet zelden door den wereldling
aangemoedigd en toegejuigd ; maar zulks neemt niet weg, dat geen edel karakter
zich tot kwaadsprekendheid verlagen zal. Den evenmensch uit louter boosheid
zijn goeden naam ontrooven, is een duivelsch werk.
2. In zekere gevallen zijt ge in geweten verplicht, dengene, wiens naam men
in uw bijzin met vuigen laster bezwalkt, openlijk te verdedigen. « Kunt
ge dat niet doen, kunt ge den kwaadspreker niet openlijk beschamen en hem 't
zwijgen opleggen, dan moet ten minste uw houding den naaste verdedigen... Uw
misnoegd gelaat en uw veelgeteekenend zwijgen moeten voor hem pleiten, den laster,
waartegen gij u niet openlijk kunt verzetten, streng veroordeelen ».
(H. Joannes Chrysostomus.)
Onbescheidenheid.
Bestaat de onbescheidenheid hierin, dat men de geheimen van den evenmensch verklapt,
vooral die geheimen, welke ons rechtstreeks toevertrouwd zijn, dan is ze een
ware schennis van een stilzwijgend op ons genomen verplichting. Brengt niet
het feit-zelf, dat men ons een geheim toevertrouwt, de verplichting meê,
dat geheim te bewaren ?
§ VII. - Ons gedrag jegens
den naaste.
1. Laat u nimmer ongustig over iemand,
wie 't ook zijn moge, uit ; wie met minachting of zelfs met verachting van den
naaste spreekt, is geenchristen in zijn hart.
Men vindt menschen, die, na over iemand den loftrompet gestoken, of met schijnbare
belangstelling naar den lof, iemand toegezwaaid, geluisterd te hebben, steeds
met hun hatelijk « maar » aankomen ; zulke menschen zijn waarlijk
onuitstaanbaar.
2. Spreek nooit over een lichaamsgebrek, als ge niet zeker weet, dat niemand
van 't gezelschap met dat gebrek is behebt. In 't bijzijn van onbekenden moet
ge ieder woord, waardoor gij ze onwillekeurig zoudt kunnen hinderen of krenken,
met zorg vermijden.
3. Wacht u wel de fouten te herinneren, begaan door de personen in wier gezelschap
gij u bevindt, of de onaangenaamheden die zij ondervonden hebben nog eens op
te halen : daardoor zoudt ge ze vernederen.
4. Zooveel mogelijk moet hij, die « ontvangt », het gesprek leiden.
Hij trachte den smaak, den aanleg, de eigenaardigheden zijner gasten te kennen,
en trekke daarvan partij, om aan 't gesprek een hun aangename wending te geven.
5. Verdiep u niet met één uwer bezoekers in een gesprek, waaraan
de anderen geen deel kunnen nemen, of dat ze niet begrijpen.
Fluisteren is onbeleefd, verraadt krenkend wantrouwen.
6. 't Is zeker geoorloofd, te lachen, zich te vermaken. Maar men lacht niet
zonder reden, niet overluid. Schaterlachen is onwelvoegelijk; lachen zonder
reden, dom; met « alles » lachen, lichtzinnig en dikwijls wreed...
7. Lach niet met eens anders gebreken : wie heeft er geen ? Het gedrag van dengene,
die met de natuurlijkt of vrijwillige onvolmaaktheden van den naaste spot, is
niet zelden nog berispelijker.
8. « La Bruyère » raadt ons aan, niet te schertsen tenzij
met beleefde, verstandige menschen, die onschuldige boert verdragen kunnen.
En dan - hoe lichtelijk handelt niet een spotziek mensch in strijd met liefde
en welvoegelijkheid !
Fijne scherts, welke niemand krenkt, kan 't gesprek veraangenamen. Maar geen
« effectbejag », geen flauwe herhalingen, geen platheden, geen kinderachtigheid,
geen langdradige vertelsels!
Over 't algemeen worden « spotters en lachers » van beroep gevreesd,
gehaat, gemeden. Vermaken ze ons bijwijlen voor een oogenblik, meestal vervelen
en ver-bitteren zij ons.
§ VIII. - Babbelaars.
l. « Veelpraters » letten weinig
of niet op hetgeen zij ten gehoore brengen. Zij spreken, als ze beter zouden
doen te zwijgen, en hun jeukende tong doet hen de eene dwaasheid over de andere
uitkramen. Al onze woorden, zegt de H. Paulus, moeten «met onderscheiding
» gesproken worden, met de wijsheid en de liefde overeenstemmen. «
Hij, die te veel spreekt, wondt zijn ziel ». (Eccl. XX, 8.)
2. « Veelpraters » zijn niet zelden twistziek, met den geest van
tegenspraak bezield. 't Is voor hen een soort van behoefte, zich tegen eens
anders gevoelen te kanten, het tegenovergestelde van de meening, welke de meeste
anderen aankleven, vol te houden. Gaan ze op die wijze hun gang, laat ze dan
maar stilletjes doen. Wilt ge hunne dwaasheden weêrleggen, dan prikkelt
ge hun babbelzucht nog meer.
3. Babbelaars zullen lange omschrijvingen, eindelooze phrazen gebruiken, om
iets te zeggen, dat men in een paar woorden kan en moet uitdrukken. Zij omvlechten
hun onderwerp met zooveel nuttelooze bijzonderheden, dat men er niets meer van
begrijpt. Op gevaar af, iedereen te vervelen, zullen zij veel van zich-zelf
spreken en hondermaal dezelfde verhaaltjes, dezelfde laffe aardigheden opdisschen.
4. Soms maken zich de babbelaars meester van een persoon uit 't gezelschap en
houden hem onmeêdoogend aan den praat, in weêrwil van de wanhopige
pogingen, door den ongelukkige aangewend om aan zijn kwelgeest te ontsnappen.
Maar wij, wij verzoeken dien onhebbelijken veelpraters, van-tijd-tot-tijd den
raad, welken lord Chesterfield aan zijn zoon gaf, een oogenblikje te overwegen
: « Houd nooit iemand vast bij den knoop van zijn jas of bij de hand,
om hem te dwingen, naar u te luisteren. Als ge ziet, dat de menschen niet op
uw mededeelingen en ontboezemingen gesteld zijn, houd dan liever den mond, instede
van de menschen te « houden ».
§ IX. - Het « ik
».
1. « Laat een ander, en niet uw eigen
mond, u prijzen », zegt de H. Schrift. Van alle uitingen der eigenliefde
is pralerij, grootspraak, het onverdragelijkst ; iemand, die zijn eigen lof
verkondigt, bewijst daardoor, dat hij geen lof verdient.
2. « Spreek zoo weinig mogelijk over u-zelven ; stel niet u-zelven tot
voorbeeld aan anderen. Iemand, die elk oogenblik op zich-zelf wijst, is eenvoudig
onuitstaanbaar » zegt « La Rochefoucauld », die we vaak reeds
en met voorliefde aangehaald hebben.
Wie onophoudelijk over zich-zelf, over zijn daden, over zijn fortuin, over zijn
invloed spreekt, wie zich met anderen vergelijkt, zijn eigen voortreffelijkheden
in 't licht stelt, maakt zich belachelijk en... hatelijk.
3. Spreek ook niet over uw eigen onvolmaaktheden. Die ziet, die kent men toch
wel ! en die stichtende « nederigheid » is niet zelden louter hoogmoed.
Regel : wij moeten zoo weinig mogelijk ons « ik » ter spraak brengen
; dat onderwerp hindert en verveelt meestal degenen, in wier bijzijn wij 't
aanroeren.
§ X. - Lofuitingen.
l. Wees in 't algemeen karig met lof. Welopgevoede
menschen prijzen niemand in zijn aangezicht, want dit maakt bedeesde personen
verlegen en dwingt tot een vaak lastige dankbetuiging aan uw adres.
Wie den menschen overdreven lof toezwaait, wordt lichtelijk van vleierij of
zelfs van onoprechtheid verdacht.
2. Maar zulks neemt niet weg, dat deugd en verdienste recht hebben op een woord
van lof uit onzen mond. Houd dezulken in 't oog, die als 't ware niet «
kunnen » prijzen, die altijd bedillen, over niets en niemand tevreden
zijn, hun beste « vrienden » hekelen: zijn dat niet juist degenen,
over wie niemand tevreden is ?
3. Volgens het schoone woord van Fénelon moet men « den lof verdienen
en vluchten ».
Wordt ge met recht en zonder overdrijving geprezen, laat dan noch te groote
voldoening, noch onverschilligheid blijken, en antwoord eenvoudig, bescheiden.
« In zekeren zin ware het wreed », zegt La Bruyère.
« alle soort van lof te verwerpen. Voor lof uit den mond van brave menschen,
die met oprecht hart het goede, dat zij in ons vinden, prijzen, moeten wij gevoelig
zijn «.
4. Sommige menschen kunnen niet hooren, dat men anderen lof toezwaait : gebrek
aan liefde ! afgunst ! Wees niet zoo kleinzielig, mijn vriend; help integendeel,
maar zonder overdrijving, anderen prijzen.
HOOFDSTUK VII.
BRIEFWISSELING
§ I. - Vorm onder letterkundig oogpunt.
Men beschouwe den brief als een schriftelijk
onderhoud tusschen van elkaar verwijderde personen.
Eenige wenken :
Brieven over zaken ». - Ga rechtstreeks over tot de behandeling van uw
onderwerp ; wijk er niet van af ; tracht zoo duidelijk en beknopt mogelijk te
zijn.
Onder deze klasse van brieven kunnen wij ook de « officieele » rangschikken
; bij 't opstellen daarvan moet men de voorschriften van 't « ceremonieel
», nauwkeurig in-acht-nemen.
« Beleefdheidsbrieven » : brieven van gelukwensching, dankbetuiging,
rouwbeklag, enz. Geen alledaagsche uitdrukkingen z. g. « gemeenplaatsen
» ! Wees hartelijk, oprecht, en houd rekening met de bijzondere omstandigheden,
welke u tot schrijven nopen.
« Intieme brieven. Vriendschapsbrieven ». Deze hebben natuurlijk
een bijzonder karakter en bestaan meestal uit gemeenzamen kout, vertrouwelijke
mededeelingen, kleine opmerkingen, gericht tot personen, op wier bescheidenheid
men durft rekenen.
Zulke brieven moeten, dit spreekt van-zelf, ongedwongen, alleszins natuurlijk
geschreven worden, maar niet zonder nadenken, niet slordig.
2. De stijl van een brief moet op de eerste plaats strooken met 't onderwerp,
dat erin behandeld wordt. Voor brieven over zaken past een ongesmukte, bondige
stijl ; maar die van gemeenzame brieven moet veel aantrekkelijker, veel hartelijker
en bevalliger zijn. Vermijd te lange zinnen, geleerde wendingen, gezochte uitdrukkingen.
« Wilt ge », zegt E. P. Verest, « goede brieven leeren schrijven
? Zoo maakt van den eenen kant uw stijl zoo buigzaam mogelijk, en leg u van
den anderen kant erop toe, in alle omstandigheden met tact te handelen. Leer
ook, dezulken, die in droefheid verkeeren, met kieschheid en oprechtheid te
troosten ; degenen, voor wie ge verantwoordelijk zijt, zoo noodig met zachtheid
en liefde, maar ook met heiligen ernst te berispen; uw vrienden met hun welslagen
geluk te wenschen, enz. »
Als gij dien raad volgt, zullen uw brieven waardig, aantrekkelijk, natuurlijk
zijn, niet ontsierd door die afgezaagde uitdrukkingen, welke in zoovele «
Brievenboeken » schering en inslag zijn.
§ II. - De uitwendige vorm.
1. De keus van 't papier is niet van gewicht
ontbloot; zij moet afhangen van den leeftijd, de kunne, den staat en stand van
dengene, die schrijft, en vaak ook van dengene, aan wien de brief is gericht.
Aan wien ge ook schrijvet, steeds moet uw papier zindelijk en van goede hoedanigheid
zijn ; gebruik altijd een dubbel velletje.
Draagt de brief een « officieel » karakter, neem dan groot formaat,
z. g. « papier-ministre », en plaats onder aan de eerste bladzijde
de titels van den persoon, aan wien 't schrijven gericht is ; bij voorbeeld
:
« Aan
den Heer Gouverneur
van de provincie Limburg ».
Voor een gewonen brief gebruike men het formaat in-8°, ofwel het bekende,
kleinere « Engelsch » formaat. De briefomslagen moeten steeds bij
't papier behooren. 't Is netter, het blaadje enkel in 't « tweën
» te vouwen.
2. Het opschrift wordt op ongeveer een vierde van de hoogte van 't blaadje geplaatst.
Tusschen het opschrift en den tekst van den brief late men bijna een vierde
van 't vel, zoodat de eigenlijke brief ongeveer op de helft van 't blaadje begint.
Aan de « linkerzijde » en ook « onderaan » late men
een witten rand van één tot twee vingers breed. De tweede bladzijde
begint op twee vingers afstand van den bovenkant. Is de eerste bladzijde vol,
begin dan gerust op de keerzijde (het verso).
In den laatsten tijd begint men eerst op de keerzijde (het verso) te schrijven,
en vervolgt den brief op de vóórzijde (het recto) ; waar 't brieven
betreft, die met behulp van de pers « gekopiëerd » moeten worden,
verdient dat gebruik aanbeveling.
Voor « ceremonieele » brieven bedient men zich van papier in groot
formaat, en schrijft men slechts op de voorzijden (1e en 3e pagina). Het opschrift
komt ter hoogte van een derde van 't blad ; de eigenlijke brief begint een derde
lager, en men laat een « zeer breeden » rand.
3. Hebt ge een slecht geschrift, tracht dan ten minste uw letters zóó
te vormen, dat men uw brief zonder veel inspanning kan lezen.
« Een slecht geschrift », zegt een schrijver, « is een blijk
van minachting ; immers, het bewijst, dat men aan zijn eigen tijd méér
waarde hecht, dan aan den tijd van anderen ».
4. Verkortingen betamen niet. Schrijf dus : « Mijnheer uw vader »,
en niet : « Mr uw vader ». Geen postscriptum », vooral niet
als het onnadenkendheid van den kant des briefschrijvers verraadt. Enkel jaartallen
en sommen gelds worden in cijfers uitgedrukt.
Begin liever uw brief opnieuw, dan uw toevlucht tot doorhalingen te nemen of
tusschen de regels te schrijven.
5. De handteekening, die « zeer leesbaar » moet zijn, bestaat gewoonlijk
slechts uit den vóórnaam en den familienaam. Sommigen laten hun
familienaam aan hun vóórnaam voorafgaan, maar in beschaafde kringen
doet men zulks niet.
De dagteekening (datum) plaatst men rechtsbovenaan, - behalve bij « ceremonieele
» brieven ; dáár komt ze onder aan de bladzijde, links,
een weinig lager dan de onderteekening te staan.
6. Als de brief gereed is, moet ge hem aandachtig overlezen, nagaan, of gij
niets belangrijks vergeten hebt, of gij u duidelijk genoeg hebt uitgedrukt,
en of hij, volgens uw oordeel, op den persoon. aan wien ge schrijft, den gewenschten
indruk zal maken.
Een gewichtige bemerking : maak zonder de uitdrukkelijke toestemming van den
persoon, die u een brief geschreven of toevertrouwd heeft, nooit den inhoud
van dat schrijven geheel of gedeeltelijk ruchtbaar. Wie het doet, beschikt eigenmachtig
of willekeurig over iets, waarvan hij slechts mede-eigenaar is. Hij, die 't
vertrouwen, in hem gesteld, beschaamt ; hij, die de geheimen eens vriends verraadt,
is een laaghartige, een ellendeling !
§ III. - Opschrift en adres.
l. In gewone gevallen schrijft men bovenaan
« Mijnheer », of als de brief aan een gehuwde dame of aan een jong
meisje is gericht : « Mevrouw » of « Mejuffrouw ». Die
woorden moeten « voluit » geschreven worden; het aangenomen gebruik
verbiedt hier elke verkorting.
Aan een « bekende » schrijve men gerust: « Waarde Heer »
of « Geachte Heer » ; en een vriend zal liefst hooren « Beste
Vriend ».
2. Sommige titels zijn door eeuwenheugend gebruik voorgeschreven en dulden niet
de minste afwijking. Zoo schrijft men bijv. :
aan den Paus : « Allerheiligste Vader » ;
aan den Koning : « Sire » ;
aan de prinsen van 't Koninklijk Huis, aan de kardinalen, aartsbisschoppen,
bisschoppen, prelaten, enz.: « Monseigneur » ;
aan eene prinses : « Mevrouw » ;
aan kloosterlingen: « Eerwaarde (of Zeereerwaarde) Pater » «
Eerwaarde Broeder », enz.;
aan vrouwelijke religieuzen: « Eerwaarde Moeder », Eerwaarde Zuster
».
3. Als de brief aan een persoon van adel of aan een waardigheidsbekleeder gericht
is, late men zijn « titel » volgen op 't woord « Mijnheer
», bijv. : « Mijnheer de Baron », « Mijnheer de Minister
», « Zeereerwaarde Heer Pastoor », enz.
4. Het adres op den omslag moet zeer duidelijk geschreven en met smaak aangebracht
worden. De eerste regel komt iets lager dan 't midden van den omslag te staan.
De naam van den geadresseerde en de plaats van bestemming worden een weinig
grooter dan de andere deelen van 't adres geschreven. Op den naam volgen het
beroep of de waardigheid, de naam der straat, 't huisnummer en de gemeente.
Ziehier eenige voorbeelden :
Den Heer Jos. VERMOLEN,
makelaar,
Dembrugstraat, 54,
ANTWERPEN.
Den Zeereerw. Heer P. DIEMANS,
pastoor te HOEZELT
(Limburg.)
Den Heer Graaf van Nieuwerkerke,
Kasteel van
WOLVERDINCHE.
§ IV. - Het slot van den
brief.
Aan 't slot van den brief drukt men de
gevoelens uit, waarvan men ten opzichte van den persoon des geadresseerden doordrongen
is. Waar 't een overste geldt, mag een betuiging van « eerbied »
of « hoogachting » niet achterwege blijven.
Betuigingen van genegenheid zijn op hare plaats, als de eene bloedverwant of
vriend aan den anderen schrijft, of een overste aan zijn ondergeschikte.
Een ondergeschikte, die zich tot zijn overste wendt, zal hem, volgens den aard
der tusschen hen bestaande betrekkingen, zijn « eerbied » uitdrukken,
of zijn « eerbiedige verkleefdheid «, of zijn « innige »
of « eerbiedige erkentelijkheid. »
Slechts vrienden, of personen, wien men een dienst wil bewijzen, biedt men de
verzekering van zijn « toewijding «.
Aan een ondergeschikte, een onbekende, een gelijke schrijvende, spreekt men
van « achting », of « hoogachting » ; maar in een brief
aan personen, die boven ons gesteld zijn, is 't woord « eerbied »
beter op zijne plaats. Gebruikt men nochtans in zulke gevallen liever den term
« hoogachting » dan late men het woord « diepe » of
« ware » voorafgaan : « Met ware hoogachting » «
met diepe hoogachting ».
Er bestaat eenig verschil tusschen « verzekering » (ook wel «
betuiging ») en « uitdrukking » : het woord « verzekering
» wordt beschouwd als minder eerbiedig dan « uitdrukking ».
Wie aan een overste schrijft, biedt hem niet de « verzekering »,
maar de « uitdrukking » van zijn gevoelens.
Eenige voorbeelden.
Aan een onbekende :
Aanvaard, Mijnheer, de uitdrukking van mijne hoogachting. Met
gevoelens van ware achting (van hoogachting) heb ik de eer te zijn
Uw dienstwillige
X.
Aan iemand, dien men kent:
Ontvang, geachte Heer, de uitdrukking mijner beste gevoelens.
Ontvang (of aanvaard), Mijnheer, de verzekering mijner toegenegen hoogachting.
Met ware vriendschap blijf ik
Uw toegenegen
X.
Aan een overste,
of aan elk ander persoon van zekeren rang :
Aanvaard, Zeereerwaarde Heer Pastoor, de uitdrukking van mijn diepen eerbied.
Met verschuldigde hoogachting heb ik de eer te zijn. Mijnheer de Baron,
Uw onderdanige
X.
Aanvaard, Mevrouw, de uitdrukking
mijner gevoelens van ware hoogachting.
(« Aanvaard » is deftiger, eerbiediger, dan « Ontvang »
)
Aan hooggeplaatste personen schrijvende, wijke men niet af van de beleefdheidsvormen,
door het gebruik voorgeschreven.
Aan den Koning :
Met den diepsten eerbied ben ik,
Sire,
van Uwe Majesteit
de zeer nederige, zeer onderdanige dienaar,
X.
Aan een Bisschop :
Met den diepsten eerbied ben ik,
Monseigneur!
van Uwe Hoogwaardigheid
de zeer nederige en gehoorzame dienaar,
X.
Aan een Minister :
Met den diepen eerbied ben ik,
Mijnheer de Minister,
van Uwe Excellentie
de nederige en onderdanige dienaar,
X.
§ V. - Postzegels en verzending.
1. Het postzegel moet zindelijk op den
omslag worden geplakt, en, waar mogelijk, in den rechterbovenhoek.
't Is zeer onwellevend, de voorwerpen, die men aan de post toevertrouwt, niet
voldoende te frankeeren. Neem, om die onwelvoegelijkheid te vermijden, alle
voorzorgen, en wend u zoo noodig tot de beambten van 't postbureel.
2. Schrijft ge aan iemand, met wien ge anders geen betrekking onderhoudt, een
brief, waarop een antwoord moet volgen, sluit dan een postzegel in. Maar dit
is « niet » geoorloofd, als men in den brief iemands bescherming
of voorspraak vraagt, of een beroep op zijn medelijden of liefdadigheid doet.
Vraagt men een koopman inlichtingen nopens zijn waren, dan hoeft men geen postzegel
voor antwoord in te sluiten. De kleinigheid, welke hij zal uitgeven om zijn
klant « in spe » te voldoen, komt op rekening van de « bedrijfskosten
».
3. 't Gebeurt wel, dat men een brief kan verzenden door een vertrouwd en welwillend
persoon. In dit geval moet men in 't algemeen - niet altijd - den brief «
open laten ». Hij, wien men den brief toevertrouwt, is volgens de beleefdheid
verplicht, hem in tegenwoordigheid van den schrijver onmiddellijk te sluiten.
Dit nu geschiede zeer eenvoudig, zeer vlug, en zonder den minsten uitleg.
Verzending « per post » is veruit de snelste, eenvoudigste en zekerste
weg ; nooit is ze met de regelen der wellevendheid in strijd.
§ VI. - Kleine briefjes.
l. Als men iemand iets wil herinneren,
eene gebeurtenis meêdeelen, een woord van gelukwensching of rouwbeklag
zenden, of als men een uitnoodiging wil aannemen of weigeren, schrijft men een
zeer kort, eenvoudig briefje, en bedient zich daartoe gewoonlijk van eene visietkaart.
Ziehier eenige voorbeelden van den stijl, waarin zulke briefjes geschreven worden:
Antwoord op een uitnoodiging.
Hendrik van Lange
biedt den Heer en Mevrouw Liefmans zijn beleefde groeten en dankt hen voor hun
vriendelijke (of vereerende) uitnoodiging, waarvan hij gaarne gebruik zal maken.
Hendrik van Lange
betuigt den Heer en Mevrouw Liefmans zijn beleefden (of hartelijken) dank voor
de ontvangen uitnoodiging, welke hij, nog in den rouw zijnde, tot zijn oprecht
leedwezen niet kan aannemen.
Rouwbeklag.
Hendrik van Lange
biedt den Heer en Mevrouw Liefmans de betuiging zijner hartelijke (of eerbiedige)
deelneming in 't zware verlies, dat hen getroffen heeft.
Gelukwenschingen.
Hendrik van Lange
biedt den Heer en Mevrouw Liefmans zijn beleefde groeten, en wenscht hun hartelijk
(of eerbiedig) geluk met den goeden uitslag van 't examen huns zoons.
HOOFDSTUK VIII.
UITSPANNING
Men moet zich van den arbeid ontspannen
door 't vermaak, en door den arbeid het vermaak voorbereiden. (FÉNELON).
De boog kan niet altijd gespannen zijn. En lichaam en geest moeten rust en verpoozing
hebben. Ontspanning is geen vadsig leegloopen. Ons vermaak moet zijn, nuttig,
degelijk, weldoende zijn. Laten we achtereenvolgens en op beknopte wijze de
verschillende soorten van ontspanning bespreken, en ons bezighouden met de spelen
binnenshuis en met de spelen in open lucht.
§ I. - Lezen.
1. Van de beste dingen, zelfs van 't lezen,
die edele, nuttige, leerzame ontspanning, kan men misbruik maken.
Wie onmiddellijk na den maaltijd een boek terhand neemt, of een gedeelte van
zijn nachtrust aan 't lezen opoffert, benadeelt de gezondheid van zijn lichaam.
Wie « slechte » boeken of dagbladen leest, benadeelt schromelijk
de gezondheid zijner arme ziel. Lees « niet te veel » boeken, maar
lees « goedgeschreven, wèldoordachte » boeken. De markt wordt,
helaas ! in onzen tijd met min-of-meer verderfelijke romans, die geen zier letterkundige
waarde bezitten, overstroomd. Laat u, voor wat de keus van uw « leesboeken
« betreft, door bevoegde, ondervindingrijke personen voorlichten.
2. In niet vele gezinnen wordt « luidop voorgelezen », en toch is
dat bijwijlen een heerlijke, zeer nuttige ontspanning. En hoe dikwijls komt
het in dagelijkschen omgang niet voor, dat men in tegenwoordigheid van een zeker
aantal personen een brief, een dagbladartikel moet voorlezen !
« Goed » voorlezen is niet gemakkelijk. Men moet zijn ademhaling
zóó weten te regelen, dat men nooit verplicht zij een zin ontijdig
af te breken ; zijn stem weten te leiden, den klemtoon weten te leggen ; begrijpen
wat men leest, het verband tusschen de gedachte en haar uitdrukking laten uitkomen
; de woorden duidelijk uitspreken, geen lettergrepen inslikken ; zooveel mogelijk
gewestelijke tongvallen vermijden ; het talent van den schrijver tot zijn volle
recht laten komen ; den toehoorders de « illusie der daad », der
handeling geven.
Heel wat vereischten,, niet-waar ? Men begrijpt, dat dit alles niet zoo gemakkelijk
gaat, dat slechts onverdroten oefening een « goed » voorlezer kan
vormen. Maar, lieve vrienden, die kunst is zoo heerlijk, zoo nuttig, dat gij
u, om ze te verwerven, waarlijk wel een offertje getroosten moogt !
§ II. - Muziek.
Bij 't einde van een « diner »
neemt men dikwijls zijn toevlucht tot de piano en tot een fraaie stem, om gasten
eenig « kunstgenot » te verschaffen.
Zeer goed - mits men de regelen der muziekkunst genoegzaam eerbiedige en de
wellevendheidsvormen in acht neme.
De zangkunst wil op de eerste plaats dat men zijn best doe om aangename tonen
voort te brengen. Het middel daartoe ? Houd u recht, de borst te eenenmale vrij;
om niet « door den neus » te zingen, moet ge, vóórdat
het geluid ontstaat, den mond tamelijk ver en o-vormig openen ; vorm en ontwikkel
de tonen die gij voortbrengt, vóór in den mond, boven tegen het
gehemelte.
Begeleidt ge een zanger, doe 't dan zoo bescheiden mogelijk ; tracht niet, het
talent van den zanger door uw talent in de schaduw te stellen.
Als men uitgenoodigd wordt, een « muziek-avondje » in te richten,
zorge men voor een program vol afwisseling, niet te lang, en overeenstemmende
met den smaak, dien men bij de gasten veronderstelt.
2. Zij, die een schoone stem bezitten, moeten zich niet laten hooren zonder
dat zij ertoe uitgenoodigd worden.
Vraagt men 't u en bezit ge een weinig talent, dan kunt ge doorgaans niet weigeren
zonder onbeleefd te zijn. Slechts fatten of ijdele personen, die een te hoog
denkbeed van zich-zelf hebben, laten onbehoorlijk lang aandringen.
Wacht u bij 't zingen voor alle gemaaktheid, voor een « theatrale »
houding, en meer nog voor allerlei grimassen. Ga bij de piano staan, voor drie-vierden
naar uw gehoor gekeerd ; om wat meer op zijn gemak te komen, is men gewoon,
nu-en-dan een blik op de partituur te werpen.
Blijf niet te lang aan de piano ; te lange stukken vervelen en maken ongeduldig.
3. 't Is onwellevend, terwijl gezongen wordt den salon in- of uit te gaan, de
maat te slaan, te neuriën, met zijn buren te spreken, enz.
Als de muziek u niet bevalt, moogt ge noch door gebaren, noch door gemompel,
noch door krenkende aanmerkingen uw ontevredenheid te kennen geven.
Wie een zanger, dien hij gehoord maar niet bewonderd heeft, nabootst, zijn stem
of houding parodieert, is een onwellevend mensch en verdient een scherpe terechtwijzing.
Uitbundige toejuichingen betamen doorgaans niet. Is een stuk in den smaak gevallen,
dan moeten niet zoozeer de gasten als wel de heer des huizes op een herhaling
aandringen.
§ III. - Wandelen.
Voor personen die een zittend leven hebben,
is 't raadzaam, dikwijls de zuivere en sterkende lucht van bosch en veld te
gaan inademen. De wandeling zal hun daartoe gelegenheid bieden, hun lichaam
nieuwe kracht en lenigheid schenken. Maar ook hier moeten wij zekere beleefdheidsvormen
in-acht-nemen.
1. Als men met tweeën is, gaat de voornaamste van de twee aan den rechterkant.
Maar wandelt men bijvoorbeeld in eene dreef, aan welker einde men terugkeert,
om dan weêr opnieuw te beginnen en zoo voort te gaan, dan blijve ieder
aan denzelfden kant van de dreef. Bijwijlen kan, uit hoofde van de plaats, waar
men zich bevindt, de linkerkant de gemakkelijkste zijn; in dit geval laat men
den linkerkant aan den voornaamsten persoon, en ga zelfs rechts.
2. Wandelt men met drieën, dan gaat de voornaamste persoon in 't midden.
Hij, die den tweeden rang bekleedt, plaatst zich aan zijn rechter-, den overblijvende
aan zijn linkerhand.
3. Als de weg hier-en-daar bijzonder moeilijk is, zal een beleefd mensch niet
nalaten aan een dame, een grijsaard, een kind de hand te reiken.
4. Gaat ge met iemand wandelen, toon u dan zeer dienstvaardig, maar niet opdringend,
en doe wat in uw vermogen staat om den anderen de wandeling te veraangenamen.
Wat we reeds onder « Betrekkingen » gezegd hebben, is ook hier grootendeels
toepasselijk.
§ IV. - Spelen binnenhuis.
Tot deze soort behooren o. a. het kaart-,
domino-, schaak- en damspel. Deze spelen mogen hun zoo aantrekkelijk karakter
van « huiselijk » vermaak niet verliezen. Winstbejag moet er vreemd
aan blijven : de inzet mag nooit groot zijn, geen aanleiding tot « hartstochtelijk
» spel kunnen geven. Treedt de een of andere passie op den voorgrond,
dan is 't spel geen ontspanning meer, maar een naar geest en lichaam uitputtende
bezigheid.
Eenige bemerkingen.
l. 't Is belachelijk, deel te nemen aan een spel, dat men niet genoegzaam kent.
2. Alvorens te beginnen, moet men de regels van 't spel nauwkeurig bepalen.
3. Wie gedurende het spel fluit of zingt, handelt onwellevend ; en 't voorbeeld
van hem, die, als hij wint, buitensporige voldoening, als hij verliest bittere
teleurstelling en wrevel aan den dag legt, verdient allerminst navolging.
4. Valsch spelen is onfatsoenlijk en oneerlijk. Een rechtschapen jongeling zal
zich niet tot die schurkerij verlagen.
5. Als men wint, moet men niet te gretig en te snel de winst naar zich toe halen.
Wie verliest moet « onmiddellijk » zijne speelschuld, hoe gering
ze ook wezen moge, betalen. Gierigheid verraadt een onedel karakter.
6. Speelt ge met personen, die bijzonder gevoelig zijn voor verlies, dan moet
ge, als de winst aan uwe zijde is, niet het eerst ophouden met spelen, maar
dengene, die verliest, gelegenheid bieden, zijn geluk nog eens te beproeven.
Later echter moet ge met personen, die zoo kregelig zijn, zoo weinig mogelijk
spelen.
7. 't Is onwellevend en aanstootelijk, de kaarten nog eens door te zetten, als
de speler, wiens beurt het was, het reeds gedaan heeft.
In den huiselijken kring bedient men zich van gebruikte kaarten, maar in den
salon geeft men nieuwe.
8. Wie zich-zelf eerbiedigt, zal nimmer den drempel van een speelhuis »
overschrijden ; in die holen des verderfs waagt men zijn goeden naam en zijn
vermogen, misschien zelfs zijn leven en 't heil zijner arme ziel...
§ V. - Spelen in open lucht.
1. Op de uren van les en studie volgt de
uitspanning, de « recreatie ». Gelukkig zij, die van de «
recreatie » een opgewekt, goed en ruim gebruik maken! Gelukkig zij, die
in dat vroolijk uurtje hun longen en beenen niet sparen, hun spieren oefenen
! dat maakt den geest helder, verdrijft alle « muizenissen », verruimt
de borst, staalt heel het lichaam. Een deugdelijke opvoeding van 't lichaam
is voor ieder jongeling hoog van-noode. « Zonder een sterk gestel »,
zegt « Mgr Dupanloup », is de meest begaafde en werkzaamste mensch
tot onmacht gedoemd. Een speelbal van allerlei ziekten, stuit hij in zijn loopbaan
ieder oogenblik op hindernissen. Letteren, wetenschappen, kunsten, ja, de nederigste
beroepen worden slechts door dengene, die op een goede gezondheid mag roemen.
met vrucht beoefend.
Welnu, de « phyzieke » opvoeding heeft ten doel, die zoo kostbare
gezondheid te versterken of te herstellen. »
2. In onze colleges en andere opvoedingsgestichten vindt men zekere spelen,
die, bij uitstek geliefd, van 't eene jeugdig geslacht op het ander overgaan
en niets van hun aantrekkelijkheid verliezen. Elk jaar ziet men ze even regelmatig
als de vier getijden terugkeeren. Die spelen, - noemen we, bijvoorbeeld, «
krijgertje-spelen » (jeu de barre), - zijn voor de ontwikkeling des lichaams
in hooge mate bevorderlijk ; zij eischen « allerlei bewegingen »,
en 't « loopen » speelt daarbij vaak een hoofdrol. Niet één
leerling zou gedurende het ontspanningsuur zich van die spelen mogen onthouden.
3. Men heeft tegenwoordig bijzondere terreinen, vlak en zeer uitgestrekt, voor
allerlei « sport » geschikt « football, lawn-tennis, cricket
», enz., meestal spelen van Engelschen oorsprong.
Op de « speelplaats » van een gesticht, en in de gewone ontspanningsuren,
zijn die spelen minder practisch ; maar overigens bevorderen zij niet slechts
de phyzieke ontwikkeling van den jongeling, maar vormen ook zijn karakter. Immers,
ze eischen zekere tucht, individueele samenwerking tot een gemeenschappelijke
handeling, gehoorzaamheid aan een aanvoerder, wiens meerderheid onder phyziek
en moreel oogpunt zijnen makkers gebleken is.
4. Vele jongelieden zijn hartstochtelijk aan alles, wat « sport »
is, verslaafd. Hen ziende en hoorende, zou men waarlijk gaan meenen, dat 's
menschen bestaan geen edeler doel heeft dan 't maken van « goals »
bij « footballspel... » Wat 'n dwaasheid ! wat 'n kinder achtige
levensopvatting !... De « hartstocht » voor « sport »
vuurt den « trots der physieke kracht » aan, vermindert den smaak
voor studie en alle ernstige bezigheid, maakt de behoefte aan verstrooiing steeds
grooter. En wat is 't leven van zulk een « sportman » klein, niettig
- vergeleken bij 't leven van hem die zich den tijd tot lezen, luisteren, overwegen
gunt!
5. Edoch, wie zich « met mate » op die spelen en sportoefeningen
toelegt, handelt als een wijze. Laat ons hier het groote sportfeest in
herinnering brengen, den 8 October 1905 op 't Vaticaan in tegenwoordigheid van
Z. H. Pius X en van een groot aantal kardinalen en prelaten gegeven. In zijne
aanspraak tot de « turners » sprak de Paus o. a. deze veelbeteekenende
woorden « Ik bewonder en zegen van ganscher harte uw tijdverdrijf en uwe
spelen... want de oefeningen des lichaams zijn van wonderbaren invloed op die
van de ziel. Door de inspanning, die zij van u vorderen, zullen de vermaken,
waaraan gij u overgeeft, u van den lediggang, oorsprong van alle ondeugden,
verwijderd houden. En dan - uw vriendschappelijke wedstrijden moeten voor u
het zinnebeeld zijn van dan wedijver, dien gij moet toonen waar 't geldt de
beoefening der deugd ».
BESLUIT
In dit « Handboekje der Wellevendheid
» heeft men u gezegd, wat gij hebt te doen, en wat gij hebt te laten,
om u steeds en overal naar de reglen der christelijke liefde te gedragen en
de aangenomen beleefdheidsvormen in acht te nemen.
« La Bruyère » zegt niet ten onrechte, dat « beleefde
manieren 's menschen verdiensten in 't licht stellen en behagelijk maken »
; maar... dat « slechts hij, die uitstekende hoedanigheden bezit, steeds
en overal beleefd kan zijn... »
Een paar voorbeelden
Veronderstellen we een jong soldaat, met, voor de wetenschap, meer dan gewonen
aanleg. Hij legt schitterende examens af, klimt hooger in graad. Maar - weet
hij zich niet goed voor te doen, laten zijne manieren te wenschen over : geen
toekomst voor den begaafden jonkman, hoe ijverig hij ook zijn plicht betrachte
! Mangel aan hoofdschheid haalt hem vijanden op den hals, stremt, helaas! zijne
loopbaan.
Een jonkman, die als musicus talent bezit, zal, al is hij ook van geringe afkomst,
in vele salons een welkome gast zijn. Maar hoe lang zal dit duren, als hij terugstootende
manieren heeft, zich niet om de regelen der gewone beleefdheid bekreunt?...
Ziehier een vroom en verstandig jongeling. Hij wil priester worden; deugd en
wetenschap geven hem recht tot dat verlangen, zoo heilig en hoog. - Eenmaal
dat groote doel bereikt, komt hij iederen dag in aanraking met personen van
deftigen en van zeer deftigen stand. Arme jonge priester, als hij niet wellevend
genoeg is, - door boersche manieren aanstoot geeft! Zal in dit geval zijn ijver
niet zeer dikwijls vruchteloos blijven?
Gene wil advokaat worden. Hij maakt heerlijke studiën, promoveert met de
grootste onderscheiding. Is hij beleefd en voorkomend, dan wacht hem misschien
een schitterende toekomst: maar als hij, trots zijn geleerd-heid, een «
boer », een onhebbelijk persoon is?...
Leg u dus met de borst toe op de edele kunst, wellevend te zijn. Maar «
uiterlijke », wellevendheid is niet voldoende. Uw « hart »
moet doordrongen zijn van die welwillendheid, van die liefde, van dien eerbied
voor den evenmensch, van die gevoelens, waarvan beleefde manieren de levende
uitdrukking zijn... En sluiten wij hier met eens vermaning, door Kamerijk's
doorluchtigen aartsbisschop, den edelen, beminnelijken « Fénelon
» tot zijn koninklijken leerling, den hertog van Bourgogne, gericht :
« Wees vooral op uwe hoede tegen uw « humeur ». Het boezemt
kinderachtige neigingen, kinderachtigen afkeer in, en doet zoo den gewichtigsten
belangen af breuk. in zaken van allerhoogst gewicht zal het de beslissing van
de nietigste beweegreden afhankelijk maken: het verduistert alle talenten, ontneemt
u den moed, maakt den mensch wispelturig, zwak, laf, onverdragelijk. Wees op
uw hoede tegen den vijand!... « Vrees God ! Die vreeze is de grootste
schat van 's menschen hart; met haar zult gij wijsheid erlangen, rechtvaardigheid,
vrede, blijdschap, rein geneucht, ware vrijheid, zoeten overvloed en vlekkelooze
eere ».
Geloofd zij Jesus-Christus!
NIHIL OBSTAT
Brugis, 22 Septembris 1911.
H. Lahousse, can. libr. cens.
IMPRIMATEUR
Brugis, 22 Septembris 1911.
H. Vanden Berghe, vic gen.