Dagwoord: vijst
Vijsten
(vijst, veest, geveest) of veesten (veest, veestte, geveesten) zijn synoniem.
Vermoedelijk is vijsten het alleroudst, maar daar wordt nog wel aan getwijfeld.
Bij deze werkwoorden horen de zelfstandige naamwoorden vijst en veest. De zeer
bejaarde woorden vijsten en veesten geven aan dat er een wind(je) of een scheet
wordt gelaten. Windje en scheet zijn ook al heel lang bekende woorden in de
Nederlandse taal. Het eerste is wat nuffig in het gebruik en het tweede weer
ietwat platvloers. Volgens het WNT is er overigens een licht verschil in betekenis
tussen scheet en veest. De scheet is lawaaiig, terwijl de veest eerder een geluidloze
buikwind is. Dat verschil wordt heden ten dage niet meer zo ervaren omdat de
veest nauwelijks nog in ons dagelijkse taal voorkomt.
In de tweede helft van de twintigste eeuw is uit het Bargoens de term ruft het
Nederlands binnen gedrongen. Dit woord heeft innige banden met het aloude rucht
voor herrie dat we terugzien in luidruchtig en gerucht. De ruft wordt even onwelvoeglijk
geacht als de scheet, althans taalkundig gezien. Kortom, het is hoog tijd om
de veest en de vijst weer te gaan gebruiken - andermaal vooral taalkundig.
De veest of scheet
als onderwerp in de literatuur heet als stijlfiguur scatologie. Het is in de
late middeleeuwen heel populair. Ook in de zeventiende en achttiende eeuw werd
er nog volop van genoten. In de moderne literatuur springen vooral Herman Brusselmans
en Gerard van het Reve in het oog met hun uitweidingen over de lossing van gassen
uit de darmen.
Een hilarisch voorbeeld van scatologie is te vinden in de Refreynen int sot amoureus wijs
van Jan van Doesborch uit 1525 of daaromtrent. Daarin wordt een wedstrijd beschreven
die begijnen nabij Antwerpen houden in het winden laten. Wie heeft de hardste
veest, wie komt het verst met zijn vijst?
De prestaties zijn om over naar huis te schrijven.
Doen sprac daer een baghine: ic sal gaen
hucken,
Elck sie wel toe, ick gae beghinnen,
En si veest den glasen venstren in stucken.
Doe ghincker een ander haer slippen op rucken
En blies tegen stroom tot balen een schuyte.
Tis haest ghecomen alst wil ghelucken,
Sprack doe die derde ende heet luyte,
En veest al die spinrocken ten roockgat wte
So dat si vander nacht niet meer en sponnen.
Nv segt mi wie heeft den prijs ghewonnen
Kort samengevat: de
eerste begijn (zeg maar een vrome vrouw) zakt door haar hurken en weet met een
krachtige stoot de ramen te doen springen. De tweede laat dat niet op zich zitten
en tilt haar hemd op om zo een scheepje tegen de stroom in bijna tot het plaatsje
Balen te blazen. Ook de derde slaagt in een krachttoer door een stok met te
spinnen materiaal (vlas, wol) door de schoorsteen naar buiten te stuwen. Daar
was die nacht niks meer te spinnen. Deze regel is nog eens extra interessant
omdat de spinrock symbool is voor een vrouw en spinnen ook een erotische bijbetekenis
heeft. En blaast dat maar eens weg.
Het gaat echter verder. Eerst wordt er een koe weggeblazen door zo'n onderbuikwindvlaag
en dan tilt de volgende begijn haar been op en blaast een walvis weg. Om precies
te zijn van Antwerpen naar Arnemuiden. Daarna wordt er een veest gelaten die
alle stormklokken tot in de verre omtrek aan het luiden brengt. In de verdere
strijd sneuvelen dijken en wordt zelfs een molenaar met molen en al de lucht
in geblazen. Dan komt de finale. Een scheet (zo mag je het inmiddels wel
noemen) weet Jeruzalem te verduisteren, maar de laatste slaagt er zelfs in om
de inwoners van Egypte zo te besmeuren dat ze zich na de windexplosie moesten
wassen. Kom daar nog maar eens om tegenwoordig...