Dagwoord: Verfronselen

Abraham Kuyper door Albert HahnAbraham Kuyper werd op 29 oktober 1837 geboren te Maassluis. In achtereenvolgens Beesd, Utrecht en Amsterdam was hij predikant. Hij was de grote man achter de Anti Revolutionaire Partij (ARP), die ook wel de eerste moderne politieke partij wordt genoemd. In de jaren 1901 tot 1905 was hij minister-president. Ook was hij medeoprichter van de Vrije Universiteit te Amsterdam met als doel om meer orthodoxe dominees op te leiden. Zijn strijd voor de orthodoxie leidde tot een schisma in de Hervormde Kerk, waaruit in 1892 de Gereformeerde Kerken ontstond. Zijn orthodoxe opvattingen stonden een moderne aanpak om zijn ideeën te verspreiden niet in de weg - integendeel zelfs. Hij maakte volop gebruik van de persvrijheid om het conservatieve woord te verbreiden
Op 8 november 1920 overleed hij te 's Graven.
Een lezing die hij hield in het Odéon te Amsterdam op 22 april 1869 kan wat het onderwerp betreft ook heden ten dage zijn uitgesproken. Het taalgebruik is wellicht gedateerd, maar voelbaar krachtig. Hier is het deel geciteerd met zijn bemerkingen over de Nederlandse taal en de vreemde invloeden die het moet dulden.


Eenvormigheid, de vloek van het moderne leven
M.H.! Ik meen in het soort te blijven van deze voorlezingen, die ons hier samenbrengen, zoo ik dezen avond uw aandacht vraag voor een Christelijk-historische beschouwing van de valsche eenvormigheid onzer eeuw: een verschijnsel dáárom zoo belangwekkend, wijl juist in die eenvormigheid, in dat streven onzer eeuw naar uniformiteit, een zeer bedenkelijke karaktertrek, ja, ik durf zeggen, de vloek van het moderne leven ligt.
(...)
De polsslag van het volksleven klopt in zijn taal. - Geen wonder dus dat ook op het taalgebied dezelfde booze démon woedt. Zeker, gemakkelijk gaat het hier niet, want een taal zit zeer diep met haar wortels in het hart des volks geklemd, maar toch, beproefd zijn de halsbrekende toeren van die onzinnige eenvormigheidszucht ook hier. Immers, al kan het geheele taalgebouw met geen dommekracht uit zijn voegen worden gedrongen, men kan toch het verwenglans van bint en deurpost wegbranden, en het arduinen stoepplaveisel splijten doen. En dat is het wat wel ter deeg geschiedt, om, kon het maar, door een internationale taal, uit alle talen saâmgebrouwen, Europa's volkstalen te doen vervagen. Veel zelfs schijnt dat streven te begunstigen. Vroeger leefde de taal schier uitsluitend in den mond des volks, en moest elk die schrijven wou, de volkstaal dus in den mond des volks beluisteren. Maar thans heeft men geen tijd meer om telkens dat levend woordenboek na te slaan. Wie zou dat ook vergen kunnen van dat krielend heir van woordenlijmers, die dag aan dag met vellen vol geschrijfs de persen zweeten doen. Och! met hun pover woordenschatje moeten ze toe, en komen ze daar niet meê uit, dan borgen ze zonder de minste wroeging aan hun taalgeweten een noodhulp uit de trits van vreemde talen, die ze hebben aangeleerd. En ziet, dan komen ze met hun ontiege handen en mishandelen onze taal en
verfronselen heur prachtig gewaad en bezoedelen de blankheid van haar aangezicht, met hun onhollandsche vormen. Niet alsof Holland's taal, preutsch en nuffig, weren zou, al wat uit vreemde maagschap sproot. Och, als ge over vreemde dingen spreekt, moet ge ze wel bij hun vreemden naam noemen, of er is niemand die u verstaat. Wie zou ook zoo ongastvrij en onheusch willen zijn, om wat uit vreemde handen komt, zonder kus of keur den toegang tot onze erve te versperren. Neen, maar wat we wel van den vreemdeling eischen kunnen, het is, dat hij, 's lands wijs 's lands eer, zich naar onze wetten gedrage. En nu, dat juist wordt gemist. Van Zuid en Oost en West overstroomen ze ons, en zoeken zich ongevraagd als huisvrienden bij ons in te dringen, en eens de deur binnen, dan vergeten ze alle vormen van kieschheid, en spelen duchtig den baas, om met hun vreemde fratsen geheel het huishouden onzer taal in verwarring te brengen. En waarlijk dat wandalisme heeft het in de vernieling onzer taalpracht reeds vér gebracht. Lees ze maar, die advertentiën onzer lagere handelswereld, dat mengelmoes van een eigen taaltje, doorspekt en doorregen met een stel van dubbel-gekruiste basterdwoorden, die bij hen alleen "voorradig" zijn. Om bij gebrek aan advertentiën zich de loef niet te laten afsteken, koelen de kleine courantiertjes hun spijt, door dat soort nieuw-modisch taalgeknoei op zekeren afstand in hun "leading-article's" na te volgen. Dan komen de heele en halve vertalers van weinig gezochte romans. In menig stichtelijk geschrijf wordt bij voorbaat een proefje van dat ontzinde Hollandsch tot ver naar onze achterbuurten gezonden. En zelfs menig geleerd werk, ja niet zelden de stukken van staatswege uitgegeven, leveren maar al te zeer het droevig bewijs, hoe die taalverdervende invloed zich in al wijder en hooger kringen bespeuren laat. En ja, de gesproken taal is taaier, wijl ze leeft, . . . maar toch wie het geradbraakt taaltje onzer "Heeren Reizigers," het wanhopend poespas onzer winkelbedienden, en het koddig allegaartje onzer bonne's ooit beluisterd heeft, behoeft het van niemand meer te hooren, hoe wondervér dat barbaarsche taalgehutsel het in de verbastering van ons Hollandsch reeds heeft gebracht.