Dagwoord: Uitvaagsel
Schelden
doet geen zeer en wellicht dat dit de inventiviteit bevordert om zo veel mogelijk
kwalijk aanvoelende namen te verzinnen. Schelden is ook van alle tijden en naast
het toewensen van allerlei vreselijks ("klerelijer krijg toch de tyfus")
worden onwelvoeglijke vergelijkingen gemaakt. Mensen die voor uitvaagsel worden
uitgemaakt zouden dus gelijk zijn aan datgene wat wordt weggeveegd: het vuile
stof, waar je maar beter zonder kan. Vreemd genoeg is er geen enkel voorbeeld
te vinden met deze letterlijke betekenis, zo meldt het Woordenboek der Nederlandsche
Taal. Voor de betekenis van verwerpelijk, minderwaardig, crapule, verachtelijk,
lage mens, gemeen grauw, gepeupel, canaille, heffe des volks, plebs, schorem,
rapaille, Jan Rap, schorremorrie, tuig, gespuis, uitschot, schuim, janhagel,
schooiers zijn er des te meer.
De dames Wolff en Deken schreven
in 1765 in hun brieven:
Ben ik te beschuldigen dat ik een nagt logement gaf aan myne vriendin, in zulke
occasie? Verdien ik voor het uitvaagsel der natuur uitgemaakt te worden, omdat
ik met geld, & raad, & in persoon haar, myne vriendin, die verongelykt
wierd, hielp?
En twintig jaar later, in 1785, schreven
de dames:
Indien alle Meisjes zeiden: "Wees deugdzaam, word beminlyk;" wy, immers
eenige uitvaagzels niet gereekend, zouden deugdzaam zyn, en trachten beminlyk
te worden.
De verschillende spelwijze van het hier
besproken woord is wellicht meer het gevolg van een voortdurende ontwikkeling
en discussie over de spelling van het Nederlands in de achttiende eeuw dan een
onbewuste inconsistentie. Dat de oudere vorm meer op het moderne Nederlands
lijkt, doet daar niets aan af.
Om de scheldnamen nog een weinig uit te breiden een citaat van Edmond Visser in 'Het Nederlandsche Cabaret' uit 1920: Tot de curiositeiten van Parijs behoorde langen tijd het cabaret van Paul N. Daar kwam zoo'n beetje het uitvaagsel van Parijs: voddenrapers, zwervers, dames en heeren van verdacht allooi.