Dagwoord: Terstond

eierenDit woord heeft de betekenis van 'onverwijld', 'subiet' en 'meteen' en mag zich op dit moment voornamelijk ophouden in bijbelteksten en voorwaardes van dikke contracten. De goede François HaverSchmidt (hij hanteerde het pseudoniem Piet Paaltjens) schreef in 1849 'Barend Krul, grotesk-komisch gedicht in vier zangen'. In de zangen van iets meer dan 400 regels heeft HaverSchmidt (hij leefde van 1835 tot 1894) volop ruimte gevonden voor 'terstond'. Het fraaie verhaal begint met de introductie van Krul:

Eerste Zang
Ter naauwernood was nog de morgen aangebroken,
En ieder lag nog in het donsig bed gedoken,
Toen Barend Krul, (wie 't is kan 'k u zeer kort verklaren,
Hij is een burgerman, die door 't verkoop van garen,
Van linnen en katoen, en meer van zullek goed,
Acht kinders een een' ga zeer schraaltjes voeden moet;)
Toen die, 't is nu zoowat een maand of 2 verleden,
Om zes uur 's morgens uit zijn nedrig huis kwam treden.

Onder veel geklap van zoenen wordt de goede Barend uitgewuifd. Vervolgens wordt hij aangereden door een aanspanning en stort hij ter aarde in het drek van de weg.

Voorwaar nog nooit was zulk een' ramp aan Krul gebeurd,
Zijn koffijbruine jas was gansch'lijk opgescheurd,
Zijn' fraaije grijze broek was vrees'lijk vuil en nat;
Zijn 10 jaar oude hoed geleek een' fijgenmat,
En 't geen het ergst nog was van alle deze zaken,
Was, dat hij met zijn verst aan iets was komen raken,
'T welk kiesheid ons verbiedt, om ronduit te openbaren,
Of om die vreemde zaak nog verder te verklaren.
Om kort te gaan, Baas Krul, ten uitersten verlegen,
Verliet de plaats, waar hij ter neder was gezegen,
Begaf zich toen
terstond naar d'eerst' den besten vloed,
En maakte ras zijn kleed weêr ordelijk en goed.

Barend is zo vroeg vertrokken omdat het mei is en hij eieren wil zoeken (kopen was te duur). François beschrijft op gevoelige wijze de fieselemie van Barend: kaal, loensend, kokkert van een neus en ezelsoren.
In de T
weede Zang ploetert Barend door de moerassen buiten de stad, maar vindt ei noch nest. Als hij de wanhoop nabij en de weg kwijt is, wordt hij geholpen door een tiental boeren. Het betaalt noodgedwongen elk een fooi. Met hernieuwde moed zet hij zijn zoektocht voort. Opeens ziet hij een nest in het riet. Om zijn kleren niet verder te besmeuren, kleedt Barend zich uit en gaat in onderkleding naar het nest. Als hij bij de eieren is en achterom kijkt ziet hij hoe twee mannen zijn kleren eclipséren (= verduisteren). Met de eieren in zijn hoed (die had hij kennelijk opgehouden) gaat hij slechts gekleed in zijn onderbroek huiswaarts
In de
Derde Zang komt onze held een veldwachter tegen die hem staande houdt en het verhaal over zijn ongeluk aanhoort. Helaas moet Barend vertellen dat hij het water in was gegaan om een nest leeg te halen. Ook in die dagen was eierenrapen niet toegestaan, althans niet in het broedseizoen. Thuis was zijn vrouw inmiddels bezorgd geraakt en ze laat haar zoon (de oudste en even scheel als zijn vader) de stadsomroeper vragen een opsporingsbericht te verspreiden. De beloning voor de juiste tip is "misschien een gulde".
 
Haar engelachtig kind volbrengt zijn' last
terstond;
En dra klinkt 's roepers stem door heel de buurt in 't rond
"Gij burgers dezer veste, hoort mijne woorden aan!
"Verneemt hoe Barend Krul verloren is gegaan!
"Die man, bij u bekend door zooveel gaauwdiefstreken
"Is dezen morgen vroeg ter poorte uitgeweken!
"Zijn' achttal kindertjes, en zijn' beminde ga,
"Zij staren vol van smart d'ontvlugten booswicht na.
"O burgers dezer stad! Hoort hun vermurwend kermen
"En wilt u over hen, en hunnen nood ontfermen!
"Men zul de moeit van hem, die duidlijk aan kan toonen
"Waar of hij zich bevindt, op 't allermildst beloonen.

De oproep is niet tegen dovemansoren gericht en massaal wordt gezocht om de beloning te kunnen incasseren. In de Vierde Zang komen we weer bij Barend terug.
  
Inmiddels was 't aan Krul gelukt, om in de boomen
Van 't digte kreupelbosch zijn' vijand te ontkomen,
Juist op het oogenblik, dat deez' met alle magt
Hem aangreep, en hem fluks te arresteeren dacht;
Maar, door zoo vlug hij kon,
terstond ter zij te springen,
Was 't Barend Krul gelukt, zich weder vrij te wringen.
Ruim 4 uur liep hij voort; maar kon in 't eind niet meer
En afgemat viel hij in 't hooge gras ter neêr.

Als hij dan, omdat hij de hele dag nog niet heeft gegegeten, zijn eieren wil nuttigen, ziet hij dat ze stuk zijn. Grote wanhoop maakt zich van Krul meester, maar de slaap overmant hem. Na een onrustige nacht met angstdromen hervat hij de weg naar huis. Bij de stadspoort gekomen, wordt hij besprongen door een massa mensen. Een ieder wil hem meenemen om de beloning op te eisen. De arme Barend valt op de grond en loopt weer veel schade op. Gealarmeerd door het rumoer, komt ook zijn vrouw naar de stadspoort. Ze vallen elkaar in de armen. Wie, zo vraagt de eerlijke vrouw, heeft Barend gevonden? De vraag leidt tot een nieuwe kloppartij en de sterkste krijgt de gulden. Het echtpaar gaat naar huis en de vrouw spreekt ernstig:

"Hoor, Barend, hoor mijn' stem; in al uw' tegenheden
"Hebt gij gelijk een' held met waren moed gestreden.
"Maar ik verklaar u thans: zoolang ik zal bestaan,
"Zult gij, o Krul, nooit weêr uit Eijerzoeken gaan".