Dagwoord: Rapaille

5 van de 40 banden wntLammert Allard te Winkel (1806 - 1868) was een onderwijzer op een lagere school, gouverneur bij de koninklijke familie en leraar op het Leidse gymnasium aleer hij een vaste betrekking kreeg als redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Het WNT, dat de grote broer is van het Woordenreservaat, werd in 1998 na 147 jaar noeste arbeid voltooid. Het noemt zich het grootste woordenboek ter wereld en beschrijft de in het Nederlands gebruikte woorden tussen pakweg 1500 en 1922. Ter voorbereiding op het WNT schreef Te Winkel in 1863 in 178 paragrafen 'De grondbeginselen der Nederlandsche spelling. Ontwerp der spelling voor het aanstaande Nederlandsch woordenboek'. Een jaar later werden de regels officieel door België geadopteerd. Pas in 1884, ruim na zijn dood, besloot ook Nederland officieel de regels te aanvaarden. De grondbeginselen van Te Winkel zijn buitengewoon lezenswaardig, ook voor minkundigen...
Hieronder staan enkele fragmenten. Wie het gehele werk elektronisch wil lezen kan hier klikken.
Merk op dat Te Winkel in de eerste zin van onderstaand fragment het heeft over "een aantal woorden, die...". Volgens veel huidige betweters zou het moeten zijn "een aantal woorden, dat...". Ten onrechte.

De spelling der bastaardwoorden.
141. Evenals ieder beschaafd volk bezigen wij een aantal woorden, die niet in den boezem onzer eigene taal ontstaan, maar bij onderscheidene gelegenheden uit andere talen ontleend zijn. Die vreemde woorden vervallen van zelve in drie klassen: l) de zoodanige, die geheel Nederlandsch geworden, met het volle burgerrecht begiftigd, als het ware genaturaliseerd zijn; 2) de woorden, die geheel vreemd zijn gebleven; en 3) de woorden, die tusschen deze beide soorten in staan, d. i. de eigenlijk gezegde bastaardwoorden.

...

163. Het geven van een Nederlandsch voorkomen aan vreemde woorden is eene mystificatie, die, niet slechts uit een theoretisch maar ook uit een praktisch oogpunt bezien, te veroordeelen is en blijft. Het spreekt wel van zelf, dat de grammatica, die de natuur zoowel als het gebruik der woorden wil leeren kennen, theoretisch eene spelling moet afkeuren, die de afkomst en niet zelden ook de beteekenis der woorden verduistert. Maar ook van het praktisch standpunt beschouwd, verdient de vreemde spelling de voorkeur. Deze waarschuwt den minkundige, dat hij geene pogingen behoeft aan te wenden om het vreemd gespelde woord uit zijne moedertaal te verklaren, en snijdt tevens zooveel mogelijk alle zinspeling op minder kiesche zaken af, die soms door eene veranderde schrijfwijze wordt uitgelokt, en waartoe onze mindere stand wel eenigszins geneigd is.

 ...

Intusschen is het nog niemand gelukt de grenslijn te trekken, waar de vreemde spelling ophoudt en de Nederlandsche begint. Bij eenig nadenken wordt het dan ook duidelijk, dat die grens uit den aard der zaak niet te trekken is; of, om juister en duidelijker te spreken, er zijn een aantal vreemde woorden in gebruik, waarvan het ondoenlijk is, op redelijke gronden en in consequente overeenstemming met andere dergelijke, te bepalen aan welke zijde der linie zij zich bevinden. Men wordt van de waarheid hiervan overtuigd, wanneer men bedenkt, dat er woorden zijn, die, niet slechts door verschillende personen, maar zelfs door eenen en denzelfden persoon, naar gelang der omstandigheden, verschillend worden uitgesproken. Hoe zou er in de spelling vastheid en gelijkmatigheid kunnen bestaan, waar de uitspraak wankel en veranderlijk is? Een paar voorbeelden zullen toereikend zijn, om den lezer verscheidene andere te herinneren. Een beschaafd man zal in gezelschap spreken van keurig geslepene karaffen; maar als hij een glas water verlangt, zegt hij zonder bezwaar tot den knecht: geef mij de kraf eens aan. Hij zal u op de societeit vragen: hebt gij dat bericht in de courant gelezen? en als gij ontkennend antwoordt, roept hij terstond om de krant. In een wetenschappelijk congres spreekt men over de beste wijze om cichorei te telen, maar in een winkel bestelt men suikerij.

Doch vooral bestaat zulk een verschil in de uitspraak derzelfde woorden bij lieden van verschillende beschaving. Een vischwijf, met haars gelijke in krakeel, zal deze een kanalje, een karonje, en hare woning een kavalje schelden; de trotsche aristocraat ziet met minachting neder op het canaille en rapaille. - De brouwersknecht kent gijl, de verver konzenielje; de wetenschappelijke man spreekt van chijl en cochenille; en zoo wisselt de uitspraak der vreemde woorden telkens af, al naarmate de beschaving van den spreker of de eisch der omstandigheden medebrengt.