Dagwoord: Ooft
Dit woord is te herleiden
tot een grondvorm van het Nederlandse 'opeten', wat uiteraard niet onbegrijpelijk is. Het woord bevat een sappigheid in zich
die door veel dichters wordt gebruikt. Het is natuurlijk ook een goed rijmwoord.
In de dagelijkse taal komt het echter nauwelijks voor. Als voorbeeld twee sonnetten:
Eén van Juliaan Haest (1912 -1984) en een van Gerrit Komrij (1944), de
dichter des vaderlands.
Regenzomer
In rusteloze drift verdringen zware wolkenreken
De zomervreugden naar de grijze horizont.
Is 't waar, dat bij dees reeks van regenweken
De laatste Winter nog z'n trouwe schaduw vond?
Dees Zomer is een guur seizoen. Het luttel ooft
Dat geurend zwellen moest bij voedend zonnegoud
Ontviel de kracht en brak, -- nog groen, -- beroofd
Van won en zon. De bogaard lijkt 'n vruchtloos woud!
Zeg, weet gij nog, hoe in schaduwvolle uren
De bloesemweelde mijn verlangend gluren
Joelen deed bij 't zachte wonder van de lentezon,
Doch als 'n warme droom zo stierf haar korte duren.
--
Ach, morgen roken reeds op 't veld de na-oogstvuren,
En klaagt mijn heimwee om 'n Zomer die niet branden kon.
Juliaan Haest in het tijdschrift Brabantia Nostra, 2de jaargang, 1936
Contragewicht
Er is een land dat ik met pijn verliet,
Er is een land dat ik met pijn bewoon.
Een derde land daartussen is er niet.
Mijn leven volgt een zonderling patroon:
Want waar ik heenga voel ik me niet thuis
En waar ik thuis ben wil ik telkens weg.
De grens wordt smal tussen geluk en kruis,
Steeds minder denk ik wat ik hardop zeg.
Ik heb, om aan dit noodlot te ontkomen,
Een derde land verzonnen in mijn hoofd,
Een land vertrouwd met leugens en fantomen.
Aan diepgewortelde en zware bomen
Hangen honkvast de loden trossen ooft
Van al mijn vederlicht geworden dromen.
Gerrit Komrij (1944): Luchtspiegelingen:
gedichten, voornamelijk elegisch (2001)
Zie voor meer gedichten van Komrij de site van de Koninklijke Bibliotheek - Nationale bibliotheek van Nederland