Dagwoord: Labbekak

Het woord is opgebouwd uit 'labben' dat 'likken' betekent en 'kak' dat van 'kakelen' komt. Door het laatste woorddeel is er ook de associatie met 'poep'. Vandaar dat naast de betekenis van 'babbeldoos' het woord ook wordt gebruikt als synoniem voor 'schijtlaars'. In een enkel geval is er zelfs de op zich fraaie betekenis van 'schrikschijter' aan gegeven. Bij het verzorgen van een uitgave van de verzamelde gedichten van de schilder-dichter Lucebert (pseudoniem van Lubertus J. Swaanswijk, 1924-1994) is in 2001 een aantal nog niet eerder gepubliceerde gedichten gevonden. Het is werk dat hij kort voor zijn dood schreef.

zielsverhuizing
stram strompelt hij van knooppunt naar knooppunt
de eens zo bekoorlijke zondenbok
je mag hem aanlachen als je kunt
hij grijnst maar trekt het zich niet aan
aangebrand niet maar afgebrand een flauwte
dat gaat weer over hij zal wel weer opstaan
plooiend zijn broek zijn rok het ouwe rund
dra staat hij lang en breed tussen de pilaren
door schaduwen bestormd het marmer van zijn kaken
de zweep spelemeiend met de laars
aldoordringend de blik gericht op de dreigende maan
langzaam daalt hij af men juicht
pondereus buiten alle proportie daalt hij af
en plaatst zich naast de
labbekak de losplaats
onveranderd niet met verlossing als poetslap

Uit Lucebert: Verzamelde gedichten
De Bezige Bij; 912 pagina's