Dagwoord: Gezwind
Het woord 'gezwind' wordt veelal gebruikt
in combinatie met 'spoed'. Ook de combinatie 'gezwinde pas' is nog bekend. Weinig
mensen weten dat het een militaire term is, waarmee een snelheid van 108 passen
per minuut wordt aangegeven. Het is de snelheid waarmee in Nederland de koninklijke
stoet op Prinsjesdag zich naar het Binnenhof spoedt. Deze snelheid is lager
dan het gekende marstempo van 112 passen per minuut, maar wordt desalniettemin
'gezwind' genoemd. Luister hier naar een bugel die de Marsch voor den gezwinde pas
speelt. Deze mars is gecomponeerd in 1814 door Jacob Rauscher, een Duitser in
Nederlandse dienst.
Gerrit Komrij (1944), de dichter des vaderlands, publiceerde op 25 januari 1999 op de voorpagina van het Algemeen Dagblad een van de 52 sonnetten die hij dat jaar schreef 'bij het verglijden van deze eeuw'. Hij typeert daarin een grijsaard als 'gezwind'. Een paar eeuwen eerder, op 17 februari 1610, had de grote Hooft (1581 - 1647) ook al een gezwinde grijsaard opgevoerd.
Gerrit Komrij:
Broederschap
Gezwinde
Grijsaard Tijd denkt op een dag:
Ik geef een feestje. Door mijn noeste vlijt
Ben ik doodop en narrig en van slag.
Ook ik verlang naar wat gezelligheid.
Hij nodigt Full-Speed uit, de Jonge Tijd,
Een pienter vriendje dat hij graag mag lijden,
En Rap, een Tijd van middelbare leeftijd,
Die nooit verschijnt zonder wat Hoeretijden.
Ze gaan - vanavond geen sonnettenkransen -
Snel over tot de ordinaire lol.
De hoempapa-muziek zorgt voor de sfeer.
Ze slempen en zijn uren in de weer
Om in de toekomst een groot gat te dansen.
Ze hossen alles stuk. Tijd speelt geen rol.
25 januari 1999
Pieter Corneliszoon Hooft:
Geswinde
grijsart die op wackre wiecken staech,
De dunne lucht doorsnijt, en sonder seil te strijcken,
Altijdt vaert voor de windt, en ijder nae laet kijcken,
Doodtvijandt van de rust, die woelt bij nacht bij daech;
Onachterhaelbre Tijdt, wiens heten honger graech
Verslockt, verslint, verteert al watter sterck mach lijcken
En keert, en wendt, en stort Staeten en Coninckrijcken;
Voor ijder een te snel, hoe valdij mij soo traech?
Mijn lief sint ick u mis, verdrijve'jck met mishaeghen
De schoorvoetighe Tijdt, en tob de lange daeghen
Met arbeidt avontwaerts; uw afzijn valt te bang.
En mijn verlangen can den Tijdtgod niet beweghen.
Maar 't schijnt verlangen daer sijn naem af heeft gecreghen,
Dat jck den Tijdt, die jck vercorten wil, verlang.
17 febr. 1610 Woonsd. Mithra
Granida
op huis te Muiden -