Dagwoord: Dodijnen

Het wiegen van een kind in je armen, op je schoot of in een bedje dat schommelt, heet dodijnen. Enkele slaapliedjes verwijzen nog naar dit mooi klinkende woord. De spelling doet er dan niet zo veel toe. Soms is het 'doedijnen' in plaats van 'dodijnen' en ook wordt het wel eens als 'doudijnen' of 'daudijnen' gespeld. Het deel 'dijnen' is ook vaak met 'ei' te lezen. De oorsprong van het woord zou volgens sommigen in de combinatie van 'douwen' en 'deinen' liggen, hetgeen voor 'douwdeinen' zou pleiten - een variant die inderdaad wel eens gevonden wordt. Bredero gebruikt het bijvoorbeeld in zijn Spaanschen Brabander Jerolimo:'

't Ghebeurden, so hy eens zijn soontje wat douw-deynden,
Wat troetelde, wat kusten (wantet hem so lief as zijn hert was).

Niettemin zeggen etymologen dat het afgeleid is van het Franse 'dodiner' of 'dodeliner', die dezelfde zacht schommelende betekenis hebben. Soms is tekstueel het wiegende karakter van 'dodijnen' alleen nog maar rudimentair aanwezig. Dit couplet van een slaapliedje is daar een mooi voorbeeld van. De herkomst van het gedicht dat uit vier coupletten bestaat, laat staan de tekstdichter, is onbekend.

Haar haartje wuift in het windje,
ze wiegt haar kleine kindje.
Doe dijne dijne dom,
toe slaap mijn kindje kom.

De lieve eenvoud die dit versje uitstraalt, steekt schril af tegen de beklemmende taal in het meesterwerk Van de koele meren des doods uit 1900 van Frederik van Eeden (1860-1932).

De geschiedenis van een vrouw. Hoe zij zocht de koele meren des Doods, waar verlossing is, en hoe zij die vond.
(...)
Hedwig had de voedster vroeg ontslagen, daar zij 't kind zelve voedde, en was nu alleen met Janet. Den dag voor den dood van 't kindje was zij zeer opgewonden en spraakzaam geweest, vol hoop en goeden moed, den doctor lachend weersprekend als die de levenskansen gering noemde. Zij wist wel beter, ze voelde het kindje zwaarder worden, de weegschaal wees niet zuiver, haar moederlijk oog kon niet bedriegen. Zij was zo overtuigd en welsprekend dat Janet zich om liet stemmen. De laatste dagen had het kindje niet meer gezogen en Hedwig vertoonde, wat Janet verschijnselen van zogkoorts toeschenen: onrust, schitterende ogen en rode kleur.
Den gansen nacht liep zij met haar halfdood dochtertje door de kamer, neuriënd en dodijnend, afkerig van 't bed waarop ze toch niet sliep. Zij praatte en zong onafgebroken, steeds vertellend van vadertje die Charlotte zou komen zien, en die haar mooi en lief zou vinden. Tegen den morgen kwam Janet kloppen, maar Hedwig had de deur afgesloten en stuurde haar weg om een rijtuig te bestellen. "Hoe is 't met baby?" riep het goede meisje. "O, heerlijk, heerlijk. Helemaal goed," antwoordde Hedwig, met het nu dode kindje in den arm.
(...)