Dagwoord: Boender
De boender, de borstel,
de schuier, de stoffer en de handveger zijn in hun meest eenvoudige vorm niet
meer dan een houten balkje met aan een zijde opeengepakt haar waarmee je klein
vuil bijeen kan vegen. Maar in er zijn toch kleine betekenisverschillen. Met
een schuier haal je eerder liefderijk de losse haren van een breedgeschouderd
colbert, dan dat je er de plakken modder uit de vloerbedekking schrobt. Een
boender hoort naar gevoelen vooral bij een frisgewassen werkster met blozende
wangen, die het zware schoonmaakwerk niet schuwt, terwijl de stoffer meer nog
dan de handveger voor eeuwig verbonden lijkt met het blik.
Een borstel was vroeger de benaming voor de harde en stugge haren op de romp
van een varken. Dat het nu een instrument is in de handen van een schoonmaker,
heeft te maken met de weg die veel varkensharen zijn gegaan. Ze zitten nu gelijmd
op een balkje hout. Even leek het of de kruimeldief, een ogenschijnlijk hanteerbaar
stofzuigertje met een loodzware accu, het kleine handveegwerk zou verdringen.
Maar de eenvoud heeft zich niet laten verjagen. Bovendien is een schuier veel
efficiënter in het verwijderen van de vlokkerige roosschilfers van een
jas dan zo'n zoemend zuigertje met verstarde mond.
Gerrit Achterberg (1905 -1962) heeft in Hoonte van 1949 de werkster met rammelende
stoffer en blik bezongen:
Werkster
Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
Ruwhouten planken en vergeten kieren,
Want zij behoort al kruipend tot de dieren,
Die voortbewegen op hun voet en hand
Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
Om deze voor de voeten te versieren
Van dichters, predikanten, kruidenieren,
Want er is onderscheid van rang en stand
God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
Gaande de gouden straten naar Zijn troon,
Al slaande met de stoffer op het blik
Symbolen worden tot cymbalen in de
Ure des doods - en zie, haar lot ten hoon,
Zijn daar de dominee, de bakker en de frik