Dagwoord: Agaceren
Karel Joan Lodewijk Alberdingk
Thijm (1864 - 1952) schreef onder het pseudoniem Lodewijk van Deyssel bepaald
niet zachtzinnige scheldkanonades, die bijzonder lezenswaard zijn.
Een van de slachtoffers van de zware kritieken is Frits Lapidoth (1861 - 1932).
Meermalen wordt het werk van deze schrijver fijngemalen. Ook de persoon Lapidoth
bevalt Van Deyssel niet en hij legt uit waarom deze hem zo agaceert in een kritiek op het werk 'Marfa', dat hij een "voortbrengsel"
noemt. De citaten om het gebruik van 'agaceren' te illustreren, komen uit 'De
scheldkritieken' van Lodewijk van Deyssel, uitgegeven in 1979 door Harry G.M
Prick.
...
De heeren Van Hamel en Lapidoth zijn twee figuren, twee mal-figuren. Zij vertegenwoordigen
het mondaine in zijn ledigheid, het geraffineerde in zijn kwasterigheid. De
heer Lapidoth in Parijs, in een dáar-mot-je-wézen-Parijs der banale
kapperachtige waardeering.
...
Nú weet ik waarom de geheel onbeduidende verschijning van den heer Lapidoth
mij zoo kriegel maakt. Het is omdat hij niet is een gommeu-ë artiest en
intellektueele, maar een naar het artistieke en intellektueele heenwillende,
zich artistiek en intellektueel vóor-doende gommeux. En nog maar een
schijngommeux, want ik gelóof niet, dat de heer Lapidoth de wézenlijk
in sommige gommeux, hoe zeer ook weinig bewust, bestaande verfijning van zeker
soort gewaarwordingen in zich heeft.
...
En daarom agaceert
zijn figuur mij; niet om dat 't mij kan schelen wat de menschen zien, denken
of zeggen, maar om dat de heer Lapidoth dat provokeert, iemant is die het der
moeite waard acht dat te provokeeren, nog-al willens en wetens waarschijnlijk.
...
Hoe zal ik nu het gedicht Marfa beschrijven. Het is het slechtste wat in jaren
en jaren in ons land is uitgegeven. Geen regel, geen woord is er goed aan, het
is geheel en al buiten de poëzie, buiten de literatuur. Het is de abominatie
van de desolatie, de enormiteit in het potsierlijke. Het is eene historie te
dwaas om te vermelden, in versregels te slecht om op deze bladzijden te worden
overgedrukt.
Maar och, willen wij nog eens lachen, willen we een paar tooneelen in deze makabere
opérette gaan bijwonen?
... 't Is duister en in de portretzaal branden
Slechts flauw de toortsen met een dikken rook;
Zij beven in des dragers moede handen,
Van elke beelt'nis maken zij een spook.
Vooruit schrijdt Marfa langs de volle wanden
Heur rechterhand voert, hoog, een zwaren mook;
De dooden schrikken wakker, knarsetanden...
Maar Marfa telt ze en de Echo telt hen ook.
Het gedicht Marfa behelst wellicht den bar-sten
onzin, die ooit in ons land werd geschreven. Marfa gaat op de hier bezongen
wijze in de portretzaal, om, uit wraak tegen haar ontrouwen echtgenoot, de schilderijen,
die zijn voorvaderen verbeelden, kapot te maken. Men bedenkt geen dwazer verzinsel!
Eérst maken nu de toortsen de beeltenissen tot spoken. Daarna gaat ze
er met een pook langs. Vervolgens zijn er ook dooden, die slapen en wakker worden
van al dat lawaai. Zij hebben hun gebitten nog en knarsen daarmee. En nu, -
dit is de dolste der akelig-dolle invallen - gaat zij ze tellen, en wat gebeurt
er verder?.. de Echo gaat ze ook tellen. Je kan 'et je wel voorstellen: Marfa
met haar rekenende oogen en een dribbelend tellend wijsvingertje, zeggend: éen,
tweé, drie; en de Echo, naast haar, óok: éen, twée,
drie.
...